Volgende 1 Het substantief Oefenen Kaartjes en ander materiaal Deel 1.1 Deel 1.2 Deel 1.3 Deel 1.4 Deel 1.5 De of het? De, het, een of niets? I De, het, een of niets? II De of het? Vul in: ‘de’ of ‘het’. 1 Maurice is de het zoon van Natalie.2 de het auto van de het buren is wit.3 In de het centrum staat de het grootste kerk van het land.4 de het appartement van Iris is vlak bij de het station.5 de het bananen kosten € 2,50 per kilo.6 Waarom is de het koffie koud?7 de het leraar zegt dat ik moet praten in de het Nederlands.8 Elise is bang in de het verkeer.9 Dit is een brief van de het gemeente Utrecht.10 de het beslissing om te verhuizen was niet makkelijk. controleer oké