Zichtbaar Nederlands

2 Het adjectief

Adjectieven (alle vormen)

Vul de juiste vorm in.

1 In dit deel van de stad zijn veel (verlaten) huizen.
2 Dit was zo’n (saai) boek! Ik kwam niet verder dan pagina 10.
3 Ik heb nog nooit zulke (vet) frietjes gegeten. Bah.
4 Claudia luistert graag naar (klassiek) muziek.
5 Aliya heeft haar zwemdiploma gehaald en haar ouders zijn heel erg (trots) op haar.
6 Heb je trek in (gebakken) groente?
7 Het centrum van Amsterdam is (populair) onder toeristen.
8 Vandaag is er veel smog. Ik wil nu niets liever dan (fris) lucht.
9 Thijs, het is vandaag echt te warm voor die (wol) trui!
10 Samira heeft vier ringen aan haar (links) hand.
11 Als ik naar die (grijs) wolken kijk, denk ik dat het gaat regenen.
12 Oef, deze soep is wel heel (zout).
13 De (gesloten) fabriek wordt volgend jaar gesloopt.
14 Layla houdt van (actief) vakanties.
15 De huizen in deze buurt zijn erg (duur).