Zichtbaar Nederlands

2 Het adjectief

Adjectieven II

Vul de juiste vorm in: met -e, -en of niets.

1 Dit was een relatief (warm) winter.
2 De muren van ons huis zijn (wit).
3 Mijn broertje gaat naar een (speciaal) school voor blinde kinderen.
4 Marianne heeft een (lief) hond en twee cavia’s.
5 Dit is een lelijke stad met (beton) flatgebouwen.
6 Ik heb zin in een (koud) glas limonade.
7 Milan koopt het liefst (katoen) kleding.
8 Waar was je vorige week? – Ik was (ziek).
9 Dit restaurant heeft een (mooi) terras.
10 Ik maak geen grap, dit is een (serieus) vraag.
11 Voordat ik ging wandelen in het bos waren mijn schoenen nog (schoon).
12 Laure heeft aardige collega’s en er hangt een (positief) sfeer in het bedrijf.
13 De oma van Cecilia heeft (goud) tanden.
14 Dit Griekse eiland heeft (fantastisch) stranden.
15 Lars brengt de (leeg) flessen naar de container.