Zichtbaar Nederlands

3 Het pronomen

Die of dat

Vul in.
Voorbeeld: Vandaag ga ik naar de film die alle prijzen heeft gewonnen.
(de film heeft alle prijzen gewonnen)

1. Ik heb de woorden opgeschreven .
(ik kan de woorden niet onthouden)
2. Lucia is een meisje .
(het meisje weet wat zij wil)
3. Ken jij een winkel .
(de winkel is vandaag open)
4. Waar zijn de boeken .
(ik heb de boeken gisteren gekocht)
5. Hier verkopen ze stroopwafels .
(de stroopwafels zijn vers gebakken)
6. Vanessa kijkt naar haar kind .
(het kind loopt voor de eerste keer)
7. Op het balkon zit een duif .
(de duif komt steeds terug)
8. Natalie koopt het liefst groente .
(de groente is biologisch)
9. Ik ben allergisch voor het stof .
(het stof ligt hier)
10. Op deze foto staat de kat .
(ik had de kat vroeger)