Zichtbaar Nederlands

3 Het pronomen

Een vorm van ‘waar’ of ‘wie’

Vul een vorm van ‘waar’ of ‘wie’ in.

1. In deze straat staan tien huizen (van die huizen) er vijf leeg staan.
2. Dit appartement is dicht bij het centrum (door die plek) het erg duur is.
3. De oude vrouw (voor die vrouw) ik vaak boodschappen doe, is ziek.
4. Nesrine oefent veel Nederlands (door deze oefening) haar Nederlands steeds beter wordt.
5. Ik kan de pen, (met die pen) ik normaal altijd schrijf, niet vinden.
6. De collega (met die collega) ik vaak samenwerk is op vakantie.
7. Matthijs viel tegen de kast (in die kast) veel glazen stonden.
8. Is de medewerker aanwezig (met die medewerker) ik gisteren heb gesproken?
9. Deze snelweg (over deze snelweg) dagelijks duizenden auto’s rijden, wordt morgen afgesloten.
10. Heb je het boek gelezen (over dit boek) ik je verteld heb?