6 Het verbum
- Deel 6.1
- Deel 6.2
- Deel 6.3
- Deel 6.4
- Deel 6.5
- Deel 6.6
- Deel 6.7
- Deel 6.8
- Deel 6.9
- Deel 6.10
- Deel 6.11
- Deel 6.12
- Deel 6.13
- Deel 6.14
- Deel 6.15
- Deel 6.16
- Deel 6.17
- Deel 6.18
Het reflexieve verbum I
Zet een vorm van ‘zich’ op de goede plaats in de zin.
Voorbeeld: Erik wast met zeep. → Erik wast zich met zeep.
Voorbeeld: Erik wast met zeep. → Erik wast zich met zeep.