Zichtbaar Nederlands

6 Het verbum

Het reflexieve verbum I

Zet een vorm van ‘zich’ op de goede plaats in de zin.
Voorbeeld: Erik wast met zeep. → Erik wast zich met zeep.

1. .
2. Gisteren hadden we veel werk, .
3. Ik was verkouden, .
4. Oh nee! Het is al tien uur! !
5. Ugh … .
6. .
7. Sandra hoorde haar naam .
8. .
9. .
10. .