Zichtbaar Nederlands

6 Het verbum

Doen of maken? I

Alleen presens

Vul de juiste vorm van doen of maken in.

1. Ellen haar brood altijd zelf.
2. Natasha de boeken in haar rugzak.
3. Ik de afwas.
4. Paula haar kapotte kast.
5. Tessa steeds een drama van dingen.
6. Waarom je het licht uit?
7. Wij koffie. Wil jij ook?
8. Help! Mijn laptop rare geluiden!
9. Dit is mijn hond Bruno. Niet bang zijn, hij niets.
10. Die muziek mij vrolijk.