Zichtbaar Nederlands

7 De zinsbouw

Positie van het verbum II

Inversie en bijzinnen

Zet het verbum op de juiste plaats.

1. (valt) .
2. (woont) ?
3. (weet) .
4. (werkt) ?
5. (wil) .
6. (ben) .
7. (drink) .
8. (ga) .
9. (is) .
10. (heb) .
11. (zijn) .
12. (is) .
13. (houdt) ?
14. (vergeet) .
15. (koopt) .
16. (werkt) .
17. (kijkt) .
18. (begrijpt) .
19. (stopt) .
20. (loop) .