[ie] van fiets / [i] van wit
Vraag en antwoord [i]
Geef antwoord met het gegeven woord. Let op de uitspraak van de [i].
Voorbeeld:
> Ja, … (zit)
Antwoord:
Zit je op school? > Ja, ik zit op school.
Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.
> Ja, … (vis)
> Ja, … (wit)
> Ja, … (is)
> Ja, … (kinderen)
> Ja, … (vind)
> Ja, … (winter)