Hoofdstuk 13
De adolescentie, de levensfase tussen de 12 en 20 jaar, is een lastige periode voor veel opvoeders. Dit heeft er mede mee te maken dat jongeren in hun vrije tijd steeds vaker hun vrienden verkiezen boven hun ouders. Als jongeren rondhangen met hun vrienden, zonder toezicht van volwassenen en zonder van tevoren te bedenken wat ze gaan doen, is de kans op kleine criminaliteit groter. Er is dan ook een duidelijke piek te zien in de adolescentiejaren als het gaat om vandalisme, graffiti, winkeldiefstal en andere kleine criminaliteit en kattenkwaad. Volgens Terrie Moffitt (1993) zijn er twee typen criminaliteit in de adolescentie. De meeste overtredingen en delicten worden gepleegd door normale adolescenten, uit doorsnee families. Deze jongeren groeien meestal vanzelf over hun grensoverschrijdende gedrag heen.
Ouders hebben maar in beperkte mate invloed op het delinquente gedrag van hun puberende kind. Als zijn niet weten wat hun kind in zijn vrije tijd doet, is de kans op delinquent gedrag groter. Veel kinderen vertellen hun ouders maar een gedeelte van de waarheid of hebben ze geheimen. Te veel moeite doen om het leven van hun kind te monitoren en zich te veel bemoeien met diens vriendschappen kan echter averechts werken. Wel is het zo dat ouders die een warme ondersteunende relatie hebben met hun kind waarschijnlijk de kans op criminaliteit bij hun kind doen verminderen.
Maatschappelijk gezien is er veel te doen als het gaat om hinderlijk gedrag van pubers. Het zorgt voor onrust en veroorzaakt veel overlast bij burgers. De maatschappelijke tolerantie voor dergelijk gedrag lijkt minder te worden, en steeds meer jongeren komen in aanraking met politie (hoewel de feitelijke criminaliteit eerder afneemt dan toeneemt). Ouders krijgen vaak de schuld van het wangedrag van hun kinderen, maar de vraag is of dat terecht is. Ligt de keuze en daarmee de verantwoordelijkheid voor dit hinderlijke gedrag niet eerder bij het opgroeiende kind zelf?