Maak de opgaven. Klik op 'Controleer' om je antwoorden te controleren en de uitwerkingen te bekijken.
- 1/6 = /66
- 2 3/4 = /32
- 4 5/6 = /96
- Schrijf de volgende breuken in de decimale schrijfwijze. Zet het eventuele repetente gedeelte tussen vierkante haakjes. Bijvoorbeeld: 0,8131313… = 0,8[13].
- 3/8 =
- 7/16 =
- 23/32 =
- 7/11 =
- 7/9 =
- Schrijf de volgende getallen als breuk.
- 0,45 =
- 0,54 =
- 0,650 =
- 0,3030 =
- 0,1875 =
- Welke breuk ligt precies in het midden tussen 3/5 en 4/5?
- Welke breuk ligt precies in het midden tussen 1/6 en 1/10?
- Zet deze breuken in volgorde van klein naar groot: 5/9, 6/11, 4/7. < <
- Geef aan welke van deze getallen het kleinste is, en welke het grootste: 23/7; 3,28; 3 2/8. De grootste is , de kleinste is .
- Aan een verspringwedstrijd doen 28 meisjes mee. 6 meisjes springen 5 meter of verder.
- Welk deel van de meisjes is dat?
- De helft van de meisjes springt tussen de vier en vijf meter. Hoeveelste deel van de meisjes springt 4 meter of minder? Welk deel is dat?
- Karel verdient wat bij door elke dag in zijn wijk 90 exemplaren van een krant te bezorgen. Na een uur heeft hij 75 kranten rondgebracht.
- Welk deel moet hij dan nog doen?
- Door pech met zijn brommer doet hij in het uur daarna maar 3/5 deel van wat hij nog had. Hoeveelste deel van zijn kranten moet hij nog bezorgen?