Rekenen en wiskunde uitgelegd

Hoofdstuk 2

Breuken

Maak de opgaven. Klik op 'Controleer' om je antwoorden te controleren. Als je alles goed hebt, kun je van enkele opgaven uitwerkingen bekijken.
Maak de opgaven. Klik op 'Controleer' om je antwoorden te controleren en de uitwerkingen te bekijken.
  1. 1/6 = /66
  2. 2 3/4 = /32
  3. 4 5/6 = /96
  4. Schrijf de volgende breuken in de decimale schrijfwijze. Zet het eventuele repetente gedeelte tussen vierkante haakjes. Bijvoorbeeld: 0,8131313… = 0,8[13].
    1. 3/8 =
    2. 7/16 =
    3. 23/32 =
    4. 7/11 =
    5. 7/9 =
  5. Schrijf de volgende getallen als breuk.
    1. 0,45 =
    2. 0,54 =
    3. 0,650 =
    4. 0,3030 =
    5. 0,1875 =
  6. Welke breuk ligt precies in het midden tussen 3/5 en 4/5?
  7. Welke breuk ligt precies in het midden tussen 1/6 en 1/10?
  8. Zet deze breuken in volgorde van klein naar groot: 5/9, 6/11, 4/7. < <
  9. Geef aan welke van deze getallen het kleinste is, en welke het grootste: 23/7; 3,28; 3 2/8. De grootste is , de kleinste is .
  10. Aan een verspringwedstrijd doen 28 meisjes mee. 6 meisjes springen 5 meter of verder.
    1. Welk deel van de meisjes is dat?
    2. De helft van de meisjes springt tussen de vier en vijf meter. Hoeveelste deel van de meisjes springt 4 meter of minder? Welk deel is dat?
  11. Karel verdient wat bij door elke dag in zijn wijk 90 exemplaren van een krant te bezorgen. Na een uur heeft hij 75 kranten rondgebracht.
    1. Welk deel moet hij dan nog doen?
    2. Door pech met zijn brommer doet hij in het uur daarna maar 3/5 deel van wat hij nog had. Hoeveelste deel van zijn kranten moet hij nog bezorgen?