Vorige Extra materiaal Tussenopdracht 9-10: Woorden Eindopdracht 1: Frequente onregelmatige werkwoorden 1 Eindopdracht 2: Frequente onregelmatige werkwoorden 2 Eindopdracht 3: Frequente onregelmatige werkwoorden 3 Eindopdracht 4: Preposities met andere woorden Eindopdracht 5: Tegenstelling Eindopdracht 6: Vocabulaire Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 zittenIk heb last van mijn rug. Ik heb te lang [?].2 gaanZij is gisteren ziek naar huis [?].3 drinkenNee, dank je. Ik heb al vier biertjes [?].4 helpenWie heeft jou met het probleem [?]?5 brengenMijn moeder heeft mij met de auto naar de cursus [?].6 komenVorige week is mijn nicht uit Colombia [?].7 wordenBent u door de aardbeien ziek [?]?8 liggenHij heeft gisteren de hele dag in bed [?].9 zeggenWat hebt u precies [?]?10 nemenIk heb Zuid-Afrikaanse wijn [?]. En jij?11 kijkenGisteravond heb ik naar een mooie natuurdocumentaire [?]. Controleer opdracht oké