| Ik moet werken, ___ ik kan niet met je naar de makelaar. |
|
|
| Ik begrijp de serveerster niet, ___ ze praat zo zacht. |
|
|
| De film duurde erg lang, ___ ik vond hem wel mooi. |
|
|
| Gaan we groente kopen ___ gaan we in een restaurant eten? |
|
|
| Ik ga eerst studeren ___ dan ga ik naar de markt. |
|
|
| Ik ga vaak om 16.45 uur naar de markt, ___ dan is alles goedkoper. |
|
|
| Ik wil deze week graag in een restaurant eten, ___ niet op woensdag. |
|
|
| Ze is deze week op vakantie, ___ ze kan morgen niet op je verjaardag komen. |
|
|