Volgende Vorige Hoofdstuk 8 8.1 Dialoog 8.2 Woordenlijst 8.4 Negatie 8.5 Preposities 8.6 Zinnen: conjuncties: nevenschikkend 8.7 Uitspraak: ij / ei — eu — ie Verdieping Opdracht 1: Conjuncties 1 Opdracht 2: Conjuncties 2 Opdracht 3: Conjuncties 3 Opdracht 4: Conjuncties 4 Opdracht 5: Conjuncties 5 Opdracht 6: Conjuncties 6 Vul in: en, of, maar, want of dus. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 Jullie kunnen de bovenwoning [?] de benedenwoning huren.2 De makelaar laat een huis met een tuin [?] een bovenwoning zien.3 Het is een Nederlandse film, [?] je moet goed luisteren luisteren.4 Mijn zus is getrouwd [?] ze woont nu in Peru.5 Ik vind de bovenwoning heel mooi, [?] de bovenwoning heeft geen tuin. 6 We willen graag een gemeubileerd huis, [?] we hebben geen meubels.7 We kunnen hier nog een kopje koffie nemen [?] we kunnen naar een ander café gaan.8 Dit is een leuk eetcafé, [?] je kunt hier niet vegetarisch eten.9 Je hoeft niet met de bus te gaan, [?] de universiteit is hier dichtbij.10 Studenten kunnen dit huis huren. Jij bent student, [?] je kunt dit huis huren. Controleer opdracht oké