In de startblokken

Hoofdstuk 8

Vul in: en, of, maar, want of dus. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.
Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.

1 Jullie kunnen de bovenwoning de benedenwoning huren.
2 De makelaar laat een huis met een tuin een bovenwoning zien.
3 Het is een Nederlandse film, je moet goed luisteren luisteren.
4 Mijn zus is getrouwd ze woont nu in Peru.
5 Ik vind de bovenwoning heel mooi, de bovenwoning heeft geen tuin.
6 We willen graag een gemeubileerd huis, we hebben geen meubels.
7 We kunnen hier nog een kopje koffie nemen we kunnen naar een ander café gaan.
8 Dit is een leuk eetcafé, je kunt hier niet vegetarisch eten.
9 Je hoeft niet met de bus te gaan, de universiteit is hier dichtbij.
10 Studenten kunnen dit huis huren. Jij bent student, je kunt dit huis huren.