In de startblokken

Hoofdstuk 9

Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.
Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.

1 beginnen
Wanneer ben je met de cursus ?

2 zijn
Is zij bij jou op bezoek ?

3 geven
Aan wie heb je je adres ?

4 doen
Wanneer heeft hij dat ?

5 kopen
Heb je een nieuwe broek ?

6 vragen
We hebben het aan onze docent .

7 begrijpen
Hebben jullie het ?

8 hebben
Ik heb gisteren de hele dag hoofdpijn .

9 komen
Ze zijn te laat .

10 drinken
Heb je al wat ?

11 vergeten
Sorry, ik ben je naam .

12 gaan
Hoe zijn jullie naar het centrum ?

13 eten
Zij heeft nog nooit mosselen .

14 zien
Heb je mijn agenda ook ?

15 kijken
We hebben eergisteren naar een film .