Wat staat er op het spel?

Bijlagen

Bijlage 3 Sociaal constructionisme

In het boek is de dubbele blik uitgewerkt aan de hand van het psychologische beeld van de Gestaltswitch. Dit beeld staat hier symbool voor het sociaal constructionisme. Deze theorie ligt op haar beurt ten grondslag aan de socratisch-parrèsiastische werkwijze die in dit boek centraal staat. Daarbij gaat het niet om het sociaal constructionisme als leertheorie, maar om het kentheoretisch sociaal constructionisme, ook wel ‘epistemologisch sociaal constructionisme’ genoemd. Hierover gaat deze bijlage.

 

Centraal in dit boek staat de normatieve geladenheid van psy-categoriseringen als ʽweerstandʼ, ʽkwetsbaarʼ, ʽsociale angstʼ, ʽgebrekkige impulsregulatieʼ, ʽautismeʼ en ʽverzamelwoedeʼ. Over dergelijke termen is in de loop der jaren veel wetenschappelijke kennis opgebouwd. In lijn met het sociaal constructionisme kunnen we vaststellen dat dergelijke kennis niet op neutrale, waardevrije wijze de feitelijke werkelijkheid beschrijft, maar daar normerende onderscheidingen in aanbrengt (Hacking, 1999). Zo vooronderstelt sociaalwetenschappelijk empirisch onderzoek naar zelfredzaamheid een sociale werkelijkheid die mede op basis van het begrip ‘zelfredzaamheid’ betekenisvol geordend is.

In de moderne wetenschap wordt echter vaak een scherp onderscheid gemaakt tussen feiten en waarden. Met behulp van de zuivere blik (empirie) en de zuivere rede (rationaliteit) zouden onderzoekers de wereld als het ware kunnen ontdoen van zijn betekenis, bestemming, doelgerichtheid, bezieling, ‘betovering’. Dit zou hen in staat stellen onderzoek te doen naar de zuivere feiten en daarover op gelegitimeerde wijze uitspraken te doen. De juistheid van uitspraken over waarden daarentegen zou de wetenschap niet kunnen onderzoeken. Elke existentiële en moreel-ethische vraag zou dan ook uit het wetenschappelijke domein verbannen moeten worden. Dit zou waardevrije wetenschap mogelijk maken, wetenschap die zich met behulp van de zuivere rede uitsluitend op de feiten richt. Wel zouden onderzoekers na afloop, bijvoorbeeld in een kritische bespreking van de eigen onderzoeksresultaten, extern hun eigen persoonlijke waarden daaraan kunnen toevoegen.

Echter, als we de lijn van het sociaal constructionisme volgen, is het in het hiervoor vermelde empirisch onderzoek naar zelfredzaamheid niet mogelijk om een strikte scheiding aan te brengen tussen feiten en waarden. Waarden zijn immers intern verbonden met de feiten zelf. Ze zijn dan ook een integraal onderdeel van wat we ‘de empirische sociale werkelijkheid’ noemen (zie hierna). Dit betekent ook dat slechts in een betekenisvol geordende sociale werkelijkheid concrete praktijkproblemen geconstateerd kunnen worden. Immers, het vaststellen van bepaalde problematiek (bijvoorbeeld een gebrek aan zelfredzaamheid bij iemand) vooronderstelt een bepaalde betekenisvolle ordening. Binnen professionele praktijken als het sociaal werk is het definiëren van problemen (problem setting) dan ook mede afhankelijk van deze specifieke ordeningswijze. Hetzelfde geldt voor het omschrijven van aanvaardbare oplossingen daarvoor (problem solving).

Beide zijn dus normatief geladen, oftewel verbonden met bepaalde waardenoriëntaties. In het geval van Bo (zie casus: Bo in paragraaf 7.4) definieert zijn begeleider het probleem waar zij op dit moment samen tegenaan lopen in termen van zíjn  weerstand (problem setting). Voor haar is dan vervolgens de vanzelfsprekende vraag hoe zij hem zou kunnen ondersteunen in het makkelijker omgaan met veranderingen (problem solving). En zo blijft dergelijke normativiteit, die meestal niet expliciet aan de orde gesteld en kritisch bevraagd wordt, wel impliciet meelopen met het begeleidingstraject van een cliënt. De centrale vraag van dit boek is hoe we deze normativiteit zichtbaar en bespreekbaar kunnen maken. Deze bijlage gaat verder in op het kentheoretisch sociaal constructionisme dat hieraan ten grondslag ligt.

 

Sociale constructie

Zoals gezegd is een belangrijk uitgangspunt van dit boek dat de strikte scheiding tussen feiten en waarden, tussen feiten en betekenis niet altijd mogelijk is. Dat houdt in dat de sociale werkelijkheid als betekenisvolle werkelijkheid een sociaal construct is, oftewel het resultaat van sociale constructies. Maar wat houdt dit precies in? Dat is hier de hoofdvraag. Om deze vraag te beantwoorden, maak ik ruim gebruik van de analyses van Ian Hacking (1999), vooral van hoofdstuk 1 en 2.

The social construction of what? van Ian Hacking (1999) is te beschouwen als een reflectie op de ontwikkelingen van de decennia daarvoor op het terrein van het sociaal constructionisme. In zijn boek probeert Hacking een aantal hoofdlijnen te traceren in de sociaal-constructionistische theorievorming. Zo vraagt hij zich bij de frase ‘de sociale constructie van X’ af (1) wat een zinvolle betekenis van de term ‘sociale constructie’ zou kunnen zijn, (2) waar die X zinvol naar zou kunnen verwijzen.

In ieder geval kan sociale constructie als idee enorm bevrijdend werken, zo stelt Hacking. Vanuit dit idee worden bijvoorbeeld ‘moederschap’ en de betekenissen daarvan niet opgevat als vastliggend en onvermijdelijk. Zij worden niet dwingend opgelegd door de menselijke natuur of de biologie van reproductie, maar zijn het product van historische gebeurtenissen, sociale krachten, materiële elementen en ideologie. Een belangrijk doel van het gebruik van het woord ‘sociale constructie’ is volgens Hacking dan ook om aan te zetten tot bewustwording, en wel op twee manieren:

  • sociaal constructionisme als een algemene visie op de werkelijkheid: een groot deel van onze ervaring en van de wereld waarin we leven, moet worden opgevat als sociaal geconstrueerd;
  • specifieke claims op de sociale constructie van een specifieke X: denk aan het voorbeeld ‘moederschap’ of aan ‘de zelfredzame burger’. Het streven naar bewustwording is wat veel van deze specifieke claims met elkaar verenigt.

 

De sociale constructie van wat?

Wat zou er geconstrueerd zijn of worden als iemand spreekt over de sociale constructie van X? Hacking geeft als voorbeeld de sociale constructie van vrouwelijke vluchtelingen (women refugees) (Hacking, 1999, p. 9). In eerste instantie is het hier niet een individuele persoon, maar een bepaald soort persoon die sociaal geconstrueerd wordt. Het gaat om een classificatie als zou het gaan om een bepaalde mensensoort, net zoals we bij dieren spreken over bepaalde diersoorten (bijvoorbeeld ‘de walvis’). Anders gezegd: het idee of concept van de vrouwelijke vluchteling wordt geconstrueerd.

Dit idee vloeit niet onvermijdelijk voort uit the nature of things. Zoals gezegd is zo’n idee het contingente, dat wil zeggen niet onvermijdelijke product van historische gebeurtenissen, sociale krachten, materiële elementen en ideologie. Denk aan bepaalde sociaal-historische gebeurtenissen en het functioneren daarin van immigrantengroepen, activisten, advocaten en sociaal werkers, maar ook van bijvoorbeeld wetgeving, immigratieregels, krantenartikelen en de materiële infrastructuur (denk aan toegangspoortjes, paspoorten, uniformen, ondervragingskamertjes en detentiecentra). Hacking geeft aan dat deze materiële elementen vanwege hun betekenis hier van belang en in die zin sociaal zijn. Maar, zo zegt hij, ook de zuivere materialiteit hiervan (zoals de kleur, de grootte en de inrichting van een ondervragingskamertje) is van invloed op het concept.

Ideeën bestaan dus niet in een sociaal vacuüm, maar hebben een plaats in een sociale setting. Dit noemt Hacking de matrix waarbinnen een idee/concept/soort wordt gevormd. Constructionisten proberen vaak de constructiegeschiedenis van een bepaald concept te achterhalen, proberen te achterhalen hoe een bepaalde constructie in de loop der tijd is gevormd (zie hierna).

Wat Hacking hier zegt over ‘de vrouwelijke vluchteling’ geldt ook voor concepten als ‘de kwetsbare burger’, ‘de uitgesloten/kansarme burger’, ‘de zelfredzame burger’, ‘de (zorgwekkende) zorgmijder’, ‘iemand met weerstand’, ‘iemand met autisme’, ‘ongeschoolde’ en ‘voortijdige schoolverlater’. Dergelijke concepten spelen een belangrijke rol in dit boek.

 

De sociale constructie van een bepaald soort persoon en van het individu zelf

Zoals hiervoor is aangegeven, verwijst ‘de sociale constructie van X’ heel vaak naar ‘de sociale constructie van het idee van X’. Maar door het leven van een vrouwelijke vluchteling te leven, zo vervolgt Hacking, wórdt iemand een bepaald soort persoon, namelijk een vrouwelijke vluchteling. Door op deze manier geclassificeerd te worden, veranderen het individu en haar zelfervaring. Op deze wijze is het volgens Hacking zinvol te zeggen dat het individu zelf ook sociaal geconstrueerd is binnen de matrix die de classificatie ‘vrouwelijke vluchteling’ omgeeft.

Stel dat iemand op basis van wetenschappelijk ontwikkelde checklists voor het meten van de mate van zelfredzaamheid geclassificeerd wordt als ‘beperkt zelfredzaam’ of als ‘volledig zelfredzaam’. Op grond hiervan zal ook zijn zelfervaring, de manier waarop hij zichzelf ervaart veranderen. Dergelijke categoriserende termen beschrijven dan ook niet alleen werkelijkheid, maar produceren deze ook. Zij brengen veranderingen aan in die werkelijkheid.

De term ‘zelfredzaamheid’ wordt in dit boek vaak gebruikt als exemplarisch voorbeeld van het huidige dominante discours binnen het sociaal werk. Wat hier gezegd wordt over ‘zelfredzaamheid’, kan ook gezegd worden over andere categoriserende termen. Al dergelijke termen worden in dit boek beschouwd als sociale constructen. Een belangrijk doel van dit boek is om zowel de helpende als de uitsluitende kant van dergelijke sociale constructen te laten zien.

 

Het zinvolle gebruik van de term ‘sociale constructie’

Mensen beginnen volgens Hacking pas te beargumenteren dat X sociaal geconstrueerd is wanneer zij vinden dat bij de huidige stand van zaken X ten onrechte als vanzelfsprekend wordt beschouwd en dus onvermijdelijk lijkt. Dit beschouwt hij als een allereerste voorwaarde voor een sociaal-constructionistische these. Zo lijkt het idee van de vrouwelijke vluchteling onvermijdelijk en vanzelfsprekend als eenmaal sprake is van praktijken rondom nationaliteit, toelating, immigratie, vrouwen op de vlucht en opvangplekken. Pas dan is het zinvol en niet-triviaal om als tegenwerping te zeggen dat X níet onvermijdelijk voortvloeit uit een bepaalde stand van zaken, maar het contingente, niet-onvermijdelijke resultaat is van een sociale constructie.

Ook een term als ‘zorgwekkende zorgmijder’, zo voeg ik hieraan toe, lijkt min of meer onvermijdelijk als eenmaal sprake is van hulpverleningspraktijken rondom mensen over wie veel zorgen zijn, aan wie wel regelmatig en vaak met enige drang hulp wordt aan geboden, maar die dit aanbod stelselmatig weigeren en zo veel mogelijk proberen te ontlopen. Hetzelfde geldt voor de andere categoriserende termen die centraal staan in dit boek en verwijzen naar een individueel tekort of onvermogen van mensen.

 

Het verband tussen sociale constructies en sociale problematiek

Zoals gezegd spreekt Hacking over de ontwikkelingen op het terrein van het sociaal constructionisme in de laatste decennia van de twintigste eeuw. Hij doet dat aan de hand van het toentertijd heel alledaagse, maar nu mogelijk enigszins gedateerd aandoende voorbeeld van het televisie kijkende kind (Hacking, 1999, p. 25). Hacking gaat na hoe we op zinvolle wijze zouden kunnen beweren dat het televisie kijkende kind het resultaat is van een sociale constructie.

 

Het televisie kijkende kind als sociaal probleem

De sociaal-constructionistische claim is volgens Hacking dat er niet vanaf de uitvinding van de televisie een bepaalde klasse kinderen is die ‘televisie kijkende kinderen’ omvat, maar dat deze term pas ontstaat op het moment dat ‘het televisie kijkende kind’ beschouwd wordt als een sociaal probleem. Vanaf dat moment wordt het televisie kijkende kind een object van onderzoek. Wat in dit geval eerst geconstrueerd wordt, is een idee. Het televisie kijkende kind wordt een bepaald soort persoon over wie specifieke wetenschappelijke kennis wordt vergaard. En terwijl het televisie kijkende kind op een bepaald moment een onvermijdelijke categorisering lijkt te zijn, zal volgens Hacking een sociaal constructionist beweren dat kinderen die televisie kijken niet noodzakelijkerwijze geconceptualiseerd hoeven te worden als een apart soort menselijk wezen.

Er zijn, zo voeg ik hier zelf aan toe, ongetwijfeld nogal wat mensen in Nederland die ’s morgens zo rond 7 uur opstaan, wel toilet maken en eten, maar niet naar hun werk gaan. Blijkbaar is er – redenerend vanuit het sociaal constructionisme ‒ op dit moment maatschappelijk geen behoefte om deze groep mensen als aparte categorie te conceptualiseren. Nog niet zo lang geleden gebeurde dit wel met de groep mensen die nu tot de ‘voortijdige schoolverlaters’ of de ‘zorgwekkende zorgmijders’ gerekend worden.

 

Het televisie kijkende kind: een bepaald soort kind en het kind zelf

Als de kinderen die televisie kijken, geconceptualiseerd zijn tot ‘televisie kijkende kinderen’, zo vervolgt Hacking, beginnen sommige ouders over hun kinderen te denken als een speciaal type kinderen, als televisie kijkende kinderen in plaats van als kinderen die televisie kijken. Mede vanuit dit idee interacteren ouders met hun kinderen. En langzamerhand gaan kinderen zichzelf leren zien als een televisie kijkend kind in plaats van als een kind dat televisie kijkt. Hierdoor verandert hun zelfbeleving, hun subjectiviteit. En ze gaan hun gedrag daarop afstemmen. Op directe of indirecte wijze worden zij zich bewust van wat theorieën en wat mensen zeggen over het televisie kijkende kind. Zij gaan zich daarnaar gedragen of zetten zich er juist tegen af. En hierdoor kan het idee van het televisie kijkend kind ook weer veranderen. Dit kan gebeuren omdat het hier niet gaat om quarks, stenen of tafels, maar om wezens die zich van zichzelf bewust zijn (Hacking, 1999, p. 27). Wat dus geconstrueerd wordt, is niet alleen een bepaald idee, een bepaald soort persoon. Het zijn ook de kinderen zelf die binnen die matrix sociaal geconstrueerd of gereconstrueerd worden.

 

De kwetsbare burger en de zorgwekkende zorgmijder als object van onderzoek

Wat Hacking hier zegt over het televisie kijkende kind geldt ook voor begrippen als ‘de kwetsbare burger’ of ‘de zorgwekkende zorgmijder’. Deze begrippen vloeien niet onvermijdelijk voort uit ‘the nature of things’, maar ontstaan pas op het moment dat bepaald gedrag beschouwd wordt als een sociaal probleem. Vanaf dat moment wordt ‘de kwetsbare burger’ of ‘de zorgwekkende zorgmijder’ object van onderzoek en wordt hieromheen veel wetenschappelijke kennis gegenereerd. Daarmee beschrijven deze termen niet op neutrale wijze een bestaande werkelijkheid, maar brengen zij normerende onderscheidingen aan in deze werkelijkheid. Zij houden ons immers een beeld voor van wat redelijk, verstandig, verantwoord, wenselijk, goed, geslaagd gedrag en volwaardig leven en samenleven zijn. Deze termen zijn dus impliciet verbonden met bepaalde maatschappelijk dominante waardenoriëntaties. En zo zijn begrippen als het televisie kijkend kind, de kwetsbare burger en de zorgwekkende zorgmijder normatief geladen begrippen te noemen die niet alleen werkelijkheid beschrijven, maar ook werkelijkheid produceren.

 

Construeren en constructiegeschiedenis

Iets construeren betekent niet een creatio ex nihilo, een schepping uit het niets. Het betekent wel dat we voorgegeven elementen op een bepaalde manier tot een geheel vormen. Zo kunnen we van dezelfde losse stukken hout verschillende gehelen maken: een tafel, een stoel, een kast. Het sociaal constructionisme maakt in metaforische zin gebruik van deze letterlijke betekenis.

Dit betekent in ieder geval dat er verschillende manieren zijn om delen tot een geheel te vormen, dat er een constructiegeschiedenis is en dat er bepaalde gehelen worden gevormd (Hacking, 1999). Belangrijke vragen hierbij zijn: welke gehelen worden op een bepaald moment in een bepaalde sociale context geconstrueerd? Waarom deze wel en andere niet? Wat betekent deze term voor de zelfervaring van mensen? En wat betekent dit voor de sociale context waarin deze term functioneert?

 

Zo is het boek Discipline and punish. The birth of the prison van Michel Foucault (1991) (zie bijlage 2) te beschouwen als een constructiegeschiedenis van ‘de delinquent’. Sterk geïnspireerd door Foucault schrijft Nikolas Rose (1999) vervolgens het boek Governing the soul: The shaping of the private self Dit boek is te beschouwen als een constructiegeschiedenis van ‘het autonome subject’. Echter, het beschrijven van de geschiedenis van een sociale constructie is mijns inziens op zijn beurt ook te beschouwen als een sociale constructie, en dus normatief geladen. Dit geldt voor het boek van Rose, maar ook voor dat van Foucault. Deze opvatting maakt het mogelijk om in dit boek over het sociaal werk de theorie van Foucault niet als waarheid te beschouwen, maar als perspectief te gebruiken. Deze theorie verschijnt dan niet als dé waarheid over de werkelijkheid, maar als een poging om op een bepaalde manier de werkelijkheid te (re)construeren. Dit maakt het mogelijk om met een dubbele blik naar die werkelijkheid te kijken.

 

Construeren en reduceren: het geheel en de delen

Zoals gezegd is een sociaal geconstrueerde classificatie niet neutraal, maar normatief geladen. De normatieve lading van deze term, van het geheel, is in de delen zelf echter niet terug te vinden. Zo gebeurt het meten van zelfredzaamheid vaak door middel van een checklist bestaande uit die delen. Deze delen zijn de onderwerpen die besproken worden met de cliënt. Denk bijvoorbeeld aan een zelfredzaamheidsmatrix. Daarin wordt aangegeven om welke onderwerpen het gaat, bijvoorbeeld financiën, dagbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid en lichamelijke gezondheid. Het geheel (= iemands mate van zelfredzaamheid) krijgt uitsluitend op grond van het opmeten van de afzonderlijke delen een cijfer toebedeeld. En daarom lijkt een term als ʽzelfredzaamheidʼ alleen maar te beschrijven wat er feitelijk aan de hand is. Het geheel is echter méér dan de som der delen en dat méér is nu juist die normatieve lading. En doordat de normatieve lading van het geheel als het ware verscholen gaat achter de beschrijvende delen, is ook de machtswerking van deze lading aan het oog onttrokken. Om de machtswerking daarvan te verminderen, zal deze dus eerst blootgelegd moeten worden. Daar gaat de volgende paragraaf over.

 

De ondermijning van het gezag van kennis en categorisering

Zoals gezegd, kan sociale constructie als idee bevrijdend werken. Praten in termen van sociale constructie is een manier om het gezag van kennis en van categoriseringen te ondermijnen (Hacking, 1999). Constructionisten zijn, zo zegt Hacking, sterk betrokken bij machts- en beheersingsvraagstukken. En de ontmaskeraar van ideeën als sociale constructies probeert niet deze ideeën te weerleggen, maar ze te ondermijnen. Hij probeert de ideologieën die daaronder liggen bloot te leggen en zo de maatschappelijke functie daarvan te laten zien. Een ideologie is een samenhangend stelsel van waardenoriëntaties: mensvisie, maatschappijvisie en ideeën over het goede leven (zie hoofdstuk 5 en 6). Als we deze maatschappelijke functie algemeen formuleren, gaat het daarbij om het bestendigen en versterken van de bestaande maatschappelijke orde met zijn ongelijke machtsverhoudingen. Als eenmaal deze maatschappelijke functie van een dergelijk idee is blootgelegd, zo is de aanname, dan zal het zijn praktische effectiviteit verliezen.

Door te laten zien hoe kenniscategorieën worden gebruikt in machtsrelaties hoopt de ontmaskeraar degenen die door deze ideeën onderdrukt worden te bevrijden. In constructionistische studies wordt het volgens Hacking immers als vanzelfsprekend beschouwd dat macht niet alleen maar eenvoudigweg van bovenaf wordt uitgeoefend. De gecategoriseerden doen daar vaak zelf aan mee. Hacking zegt hierover:

 ‘Women refugees or deaf people participate in and assist in the power structure. One hope of unmasking is to enable the deaf or the women refugees to take some control over their own destiny, by coming to own the very categories that are applied to them.’ (Hacking, 1999, p. 58).

 

Of neem het voorbeeld van ‘kwetsbare burgers’. Heel vaak worden zij niet alleen door anderen gezien als kwetsbaar, maar ook door zichzelf. Zij beamen dat zij inderdaad kwetsbaar zijn en gaan zichzelf min of meer eenduidig ervaren als kwetsbare burger. Vervolgens worden zij op ‘humane’ wijze geholpen om toch nog zo volwaardig, gelijkwaardig en menswaardig mogelijk te kunnen participeren, mee te kunnen doen in de samenleving. En of het nu gaat om kwetsbare ouderen, kwetsbare mensen met een verstandelijke beperking, kwetsbare daklozen, kwetsbare tienermoeders of kwetsbare mensen met een schuldenproblematiek, op deze manier werken zij als het ware mee aan hun eigen normalisering en onderwerping, aan hun eigen invoeging in de bestaande maatschappelijke orde. En daarmee werken zij onbedoeld mee aan het bestendigen en versterken van de ongelijke machtsverhoudingen binnen die maatschappelijke orde.

 

De invalshoek van dit boek: sociaal constructionisme en normatieve leerprocessen

Hacking geeft dus aan dat constructionisten vaak iets teweeg willen brengen, iets aan de kaak willen stellen en willen veranderen door bepaalde constructies te ontmaskeren. Hun eigen perspectief heeft dan ook zelf een bepaalde normatieve lading, een lading die soms wel en soms niet expliciet vermeld wordt.

Met het oog op sociale rechtvaardigheid als morele horizon van het sociaal werk wil ik met dit boek ook iets teweegbrengen. Niet door bepaalde classificaties als constructies te ontmaskeren, maar door bepaalde constructies als normatieve vanzelfsprekendheden zichtbaar te maken. Op basis daarvan wil ik proberen normatieve leerprocessen binnen het sociaal werk als professionele praktijk te bevorderen en te ondersteunen. Voor de sociale professional betekent normatief leren dan ook allereerst zicht krijgen op de min of meer vanzelfsprekende normativiteit van het eigen professionele kader. En hier vallen ook allerlei wetenschappelijk vastgestelde en onderzochte classificaties onder.

 

Literatuur

Hacking, I. (1999). The social construction of what? Harvard University Press.