Zichtbaar Nederlands

6 Het verbum

Presens II

Alleen regelmatig, met open en gesloten syllaben

Vul de juiste vorm in.

1. Wanneer (beginnen) je met jouw nieuwe werk?
2. Maaike (zeggen) dat haar laptop kapot is.
3. (denken) je echt het dat het een goed idee is?
4. Sorry, maar ik (weten) het niet.
5. Vanavond (rijden) we naar Brussel.
6. Waar (komen) jullie vandaan?
7. Ze (maken) grappen over mijn oude auto.
8. Sandra (eten) vandaag pannenkoeken.
9. Welk boek (lezen) je?
10. Mijn hond (zitten) het liefst op het balkon.
11. Sst! Ilse (slapen) al.
12. Volgende week (vliegen) Victor en Sarah met KLM naar Spanje.
13. Waar (leren) je Nederlands?
14. Hallo? Mark …? (horen) je me?
15. Carla en Dagmar (lachen) hard om die grap.