Zichtbaar Nederlands

6 Het verbum

Presens III

Ook de onregelmatige vormen

Vul de juiste vorm in.

1. Wanneer (komen) jouw favoriete band naar Nederland?
2. Rianne en Niels (zijn) broer en zus.
3. Het (beginnen) nu echt hard te regenen.
4. (houden) je meer van bruine of witte chocola?
5. Wat (doen) je dit weekend?
6. Welke talen (spreken) jullie?
7. Zij (gaan) naar de supermarkt.
8. (hebben) u misschien een paar euro voor het Rode Kruis?
9. Mijn kat (heten) Dimitri.
10. (zijn) jij de zus van Natasha?
11. Het Nederlandse voetbalteam (verliezen) weer een wedstrijd.
12. Jouw nieuwe schoenen (staan) goed bij jouw jas.
13. Wat (hebben) jij in die tas zitten?
14. Wat zeg je? Ik (verstaan) je niet!
15. (weten) je misschien hoe laat het (zijn)?