6 Het verbum
- Deel 6.1
- Deel 6.2
- Deel 6.3
- Deel 6.4
- Deel 6.5
- Deel 6.6
- Deel 6.7
- Deel 6.8
- Deel 6.9
- Deel 6.10
- Deel 6.11
- Deel 6.12
- Deel 6.13
- Deel 6.14
- Deel 6.15
- Deel 6.16
- Deel 6.17
- Deel 6.18
Verba van positie
Vervang de zinnen door zinnen met een verbum van positie. Let op de tijd: nu blijft nu, vroeger blijft vroeger. Voorbeeld:
(staan) Ik wacht een uur → Ik sta een uur te wachten.
(staan) Ik wachtte een uur → Ik stond een uur te wachten.
(staan) Ik wacht een uur → Ik sta een uur te wachten.
(staan) Ik wachtte een uur → Ik stond een uur te wachten.