Beter Nederlands spreken

Hoofdstukken

Luister- en uitspraakoefening [i]

  1. Luister naar de zin. Herhaal de woorden met de [i].
  2. Luister nog een keer.
  3. Zeg de hele zin na en let op de uitspraak van de [i].

Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.

  

Hij zit nu op school. – zit

Ze is al groot. – is

Ik vind dat niet leuk. – vind

Wilt u koffie? – wilt

Ik hou niet van de winter. – winter

Hij is blij met zijn kinderen. – kinderen

Ze eet soms vis. – vis

Ik verf de muur wit. – wit