Beter Nederlands spreken

Hoofdstukken

Vraag en antwoord [ie]

Geef antwoord met het gegeven woord. Let op de uitspraak van de [ie].


Voorbeeld:

> Ja, … (fiets)

Antwoord:
Heb je een fiets? > Ja, ik heb een fiets.


Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.

  

> Ja, … (wie)




> Ja, … (griep)




> Ja, … (hier)




> Ja, … (gezien)




> Ja, … (drie)




> Ja, … (die)