Beter Nederlands spreken

Hoofdstukken

Vraag en antwoord [i]

Geef antwoord met het gegeven woord. Let op de uitspraak van de [i].


Voorbeeld:

> Ja, … (zit)

Antwoord:
Zit je op school? > Ja, ik zit op school.


Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.

  

> Ja, … (vis)




> Ja, … (wit)




> Ja, … (is)




> Ja, … (kinderen)




> Ja, … (vind)




> Ja, … (winter)