Hoofdstukken
- [aa] van naam / [a] van jas
- [ee] van been / [e] van zes
- [oo] van doos / [o] van mond
- [ie] van fiets / [i] van wit
- [uu] van muur / [u] van bus
- Medeklinkercombinaties
Vraag en antwoord [i]
Geef antwoord met het gegeven woord. Let op de uitspraak van de [i].
Voorbeeld:
> Ja, … (zit)
Antwoord:
Zit je op school? > Ja, ik zit op school.
Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.
> Ja, … (vis)
> Ja, … (wit)
> Ja, … (is)
> Ja, … (kinderen)
> Ja, … (vind)
> Ja, … (winter)