Lijstjes
De functie van tekenlijstjes
Als ik in groep 3 vind dat we lang genoeg gepraat hebben over muggen en bijen en hommels, vraag ik wie er in de vakantietijd een ander dier heeft gezien. Niet op de televisie, maar in het echt. Nu komen er nog meer verhalen, over paarden en over een buurvrouw met een krabbende poes. Ook: apen in de Apenheul, en pony's in Ponypark Slagharen. Akaash heeft vissen gevangen met zijn oom. Het vertellen duurt al vrij lang, en ik denk dat er nu genoeg ervaringen bij de kinderen zijn opgeroepen. Dat is het moment om een lijstje te laten maken, in dit geval een tekenlijstje omdat de kinderen nog niet schrijven. De opdracht: teken drie dieren die je in de vakantietijd gezien hebt. Ze krijgen een lang blaadje met drie vakjes erop, een onderlegger en een potlood. Terwijl ze al begonnen zijn, doe ik nog wat suggesties van dieren. 'Vogels op je balkon', zeg ik bijvoorbeeld. 'O ja!' zie ik een meisje denken; ze duikt op haar blaadje. 'Een dier bij iemand waar je gelogeerd hebt', is een andere suggestie. Ik probeer zo te waarborgen dat iedereen ergens op kan komen, en dat het niet allemaal dezelfde dieren zijn.
Ik deel in groep 4 tekenlijstjes uit: A5 velletjes met vier heel kleine vakjes erop, weinig tekenruimte dus. Ik vraag ze om vier woorden van de lijst op het bord te kiezen waarmee ze zelf iets hebben meegemaakt. Dus geen krokodil waarschijnlijk (hoewel Lydia later vertelt dat ze in Kameroen een levende haai gezien heeft). En om dan bij het woord te tekenen waar het om gaat. Tekenen helpt bijna altijd bij het ‘beeldender’ maken van een ervaring in je hoofd. Ik zie bijvoorbeeld bij het woord ‘schoonmaken’ een tekeningetje van iemand die iets in een vuilnisbak gooit, bij ‘ijs’ een tekening van een dubbele ijslolly met twee stokjes, bij ‘pies’ een putje waar iemand de straal in richt. Ook zijn sommige kranen heel precies getekend.
Tegen de tijd dat we in groep 3 het tekenlijstje gaan maken, heb ik drie onderwerpen in mijn hoofd die te maken hebben met de regen: iets wat je tegen de regen gedaan hebt, een plek waar je was toen het regende, iets leuks wat je in de regen gedaan hebt. Als ze het lijstje leeg voor zich hebben geef ik voor elk van de drie vakjes een andere, gerichte opdracht. Dat is iets anders dan de eerste twee keer, maar ze pakken het meteen op. In het vervolg van de taalronde kunnen ze kiezen uit deze drie situaties.
Het tekenlijstje gaat bij de kleuters goed. Iedereen snapt meteen wat de bedoeling is en er vallen zelfs nauwelijks onderleggers op de grond. Ze tekenen in de drie vakjes drie dingen die ze thuis hebben met een knopje erop. Slechts één kind krast alle vakjes vol. Terwijl ze tekenen roep ik af en toe nog een nieuw voorwerp waar ik aan moet denken, om ze op nog meer ideeën te brengen. Ik zie toetsenborden, magnetrons, een wereldbol, een step met een knopje, kranen, een badkuip met afvoerputje (is dat een knopje? Kan me niet zoveel schelen), een deurknop, een auto met afstandsbediening, een heleboel geheimzinnige losse knopjes. Naast mij beginnen twee jongetjes over een gevangenis waar een boef in zit en toen was er een knopje en toen boem ontplofte de hele gevangenis. Ik zeg: 'ja dat was fijn voor die boef, hij was vrij.' Daarna wijs ik ze erop dat ze iets moeten tekenen wat ze thuis echt hebben, geen gevangenis waarschijnlijk. 'Jawel hoor,' zegt Satijn, 'ik heb een gevangenis van lego gemaakt.' 'O dan mag je het wel tekenen,' zeg ik. Ik weet wel dat hij mij te slim af probeert te zijn, maar ik vind het niet productief om daar veel aandacht aan te besteden. Op zijn lijstje staan naast de gevangenis ook nog een toetsenbord en een oven. Later heeft hij toch de gevangenis gekozen en erover getekend en verteld. Het is het enige verhaal dat niet echt over een eigen ervaring gaat.
Op dit punt van de vertelronde in groep 5 heb ik het idee dat er voldoende aspecten van het onderwerp ‘keren dat het donker was’ naar voren zijn gekomen en dat elk kind zich wel iets herinnert. Daarom ga ik over op de tekenlijstjes. Ik vraag ze om in elk van de drie vakjes een plek te tekenen waar het ineens donker werd of waar het gewoon donker was. Ik geef voorbeelden van wat kinderen kunnen tekenen die al in de kring verteld hebben over zo’n plekje. Ze gaan het doen en ik merk dat ook de kinderen die niets verteld hebben, beginnen te tekenen. Al tekenend wordt er heel wat gepraat over het onderwerp, dat vind ik belangrijk. Kinderen brengen elkaar zo op nieuwe ideeën; ‘afkijken’ kan toch eigenlijk niet omdat je iets moet tekenen wat je zelf hebt meegemaakt. Ik noem zelf expres af en toe iets dat me te binnen schiet, bijvoorbeeld: hoe donker het kan zijn als je 's nachts wakker wordt. Een kind vertelt meteen hoe hij 's nachts ineens honger heeft en een boterham wil, en hoe donker het dan is in de keuken. ‘Ja’, zegt Sheraldo, ‘en dan maakt de koelkast zo’n eng geluid zzzzzzzzzzz.’ |
Een tekenlijstje is hetzelfde als een geschreven lijstje, alleen maak je nu tekeningetjes inplaats van woorden onder elkaar. Dat doe je op een blad met voorgedrukte kadertjes. Ook bij een tekenlijstje is het de bedoeling dat je een paar ervaringen op een rijtje zet, om daar vervolgens uit te kunnen kiezen. Het tekenlijstje is handig voor kinderen die nog niet kunnen schrijven, zoals de kleuters en groep drie. Het is een manier om al vroeg te leren inventariseren.
In hogere groepen leidt het maken van een tekenlijstje ook tot de bewustwording van allerlei details, die anders minder snel naar voren zouden komen. Door bijvoorbeeld plekken eerst te tekenen, word je gedwongen om echt naar de plek terug te gaan in gedachten. Al tekenend komen er details bij die je anders niet zo snel had bedacht. De lamp die bij de stoel van de tandarts staat. De klok naast de tafel in de woonkamer. Het bordje 'open' tegen de winkelruit. Fietsenrekken op straat. Schoenen op de grond in de gang. Ook als het gaat om het beschrijven van ingewikkelde voorwerpen, zoals gereedschappen, is een tekeningetje handig. De details kunnen later in het vertelde of geschreven verhaal terugkomen.
Je kan tekenlijstjes gebruiken met heel kleine kadertjes en met iets grotere. Daar moet je tekenopdracht bij passen. Een zwembad vol mensen tekenen op postzegelformaat gaat niet! Een enkel voorwerp of een detail daarvan wel. Vanaf groep drie kan je een woord onder de tekeningetjes laten schrijven. Op die manier kan de overstap van getekende lijstjes naar geschreven lijstjes gemaakt worden.
Soms kom je in je les niet verder dan de tekenlijstjes, omdat de concentratie bijvoorbeeld op is.
Dan is het fijn een concreet uitgangspunt te hebben voor het vervolg van de les op een ander moment.
Je deelt de tekenlijstjes weer uit en brengt de opdracht ervan in herinnering. Je ‘modelt’ voor een eigen onderwerp hoe je kunt vertellen en je geeft de opdracht voor het tweetalgesprek.
Kinderen moeten door krijgen dat het bij een tekenlijstje niet gaat om 'mooi' tekenen, maar om een soort notities die ze zelf begrijpen. Geef ze er maar kort tijd voor: een minuut of vijf. Ook is het belangrijk om te bedenken of je opdracht voor een tekenlijstje concreet genoeg is: voorwerpen, of plekken, of kleine situaties. Een tekenlijstje over gevoelens of geluiden is meestal ingewikkeld en vraagt om meer begeleiding.