Lijstjes
Goede opdrachten voor lijstjes
Juf Agnes schrijft in groep 7 woorden op het bord die met ruiken te maken hebben. Eerst: geur. Ze vraagt: ‘hoe kan een geur zijn?’ Een kind zegt: ‘stinken’. Agnes schrijft op: ‘een vieze geur’. Er komt nog bij: ‘lekkere geur’. En: ‘Rare geur’. Agnes: ‘wat bijvoorbeeld?’ Neslihan: ‘van raar eten, vies eten.’ Iliass: ‘net zoals cake verbrand is.’ Sommige kinderen beginnen te associëren, iemand zegt ‘benzinegeur’. En een kind vertelt: ‘Een keer rook ik in de bus sinaasappelgeur, werd ik misselijk.’ Agnes gaat hier niet op in maar deelt schriften uit voor een lijstje. Ze geeft de opdracht: ‘maak een lijstje van geuren in je huis.’ Een goede opdracht, want de toevoeging ‘in huis’ zorgt ervoor dat je gericht nadenkt over een bepaalde plek en hoe het daar ruikt. Alleen maar een lijstje van ‘geuren’ zou te algemeen geweest zijn. Terwijl we schrijven, ziet Agnes dat een aantal kinderen opschrijft: lekkere geur, vieze geur, rare geur. Ze schrijven gewoon over wat ze op het bord heeft geschreven. Om te zorgen dat het concreter wordt zegt ze: ‘Schrijf er ook steeds bij waarnaar het dan ruikt.’ Dat gaan ze doen.
Bij het maken van het lijstje in groep 6 gaat het om feesten waar je zelf geweest bent - ik zeg dat er expres nog even bij, anders krijg je teksten als 'met kerstmis heeft iedereen een kerstboom'. Terwijl ze schrijven roep ik nog allerlei dingen die ik zelf bedenk en die ik om me heen hoor: bingo-feestjes, een feest buiten of op straat, een heel klein feestje, een feest met bijna alleen grote mensen. Juist niet de clichéfeesten die ze toch wel opschrijven. Ibrahim heeft een enorme lijst waarop ook Sint Maarten, moeder- en vaderdag, besnijding, ramadan, maar ik zie bij anderen ook: feestje in de tuin, oma's verjaardag, carnaval, ninjafeest, begrafenisfeest, papa en mama 12 1/2 jaar getrouwd, Iraans feest, voetbalfeest, fietswedstrijd.
Ik vraag groep 6 om een lijst te maken van plekken waar ze de afgelopen vakantieweek waren. Dat vraagt om meer uitleg. Ik wil heel precieze plekken, dus niet ‘thuis’ of ‘op straat’. Maar zoals in het verhaal van de eekhoorn en de mier van Toon Tellegen: ‘ze zaten bij elkaar op de tak voor de deur van de eekhoorn’. Ik geef een serie beurten aan kinderen om een plekje te noemen waar ze waren. Eerst blijft het nog heel globaal: bij mijn oom, in het zwembad. Ik vraag steeds: waar dan precies bij je oom, waar in het zwembad? Ze snappen het en er komen steeds preciezer omschreven plekjes: het balkon van mijn tante, de zaal van de bioscoop, de glijbaan, de keuken. We kunnen met de lijstjes beginnen. Onder het schrijven hoor ik ze dingen noemen en kom ik zelf ook op nieuwe plekken, die noem ik dan hardop om ze op nog meer ideeën te brengen. Bij de voordeur, in de bus, in de auto, in de supermarkt, ergens waar je geslapen hebt, ergens waar je zat te eten. Ook laat ik drie lijstjes voorlezen, waardoor er nog meer opkomt en tenslotte iedereen een hele lijst heeft. Jayant naast me weet eerst helemaal niks, maar heeft baat bij wat wordt opgenoemd en schrijft tenslotte op zijn lijst: de Vrolikstraat, de supermarkt, de bank, de keukentafel, bij de computer, in de computerwinkel.. |
Op een lijstje maak je tijdens een taalronde een inventarisatie van ervaringen, nog zonder daarin te selecteren. Het is goed om van tevoren even na te denken over de opdracht voor een lijstje en om ook wat voorbeelden achter de hand te hebben. Zelf van tevoren oefenen met een lijstjesopdracht is een goede manier om te beoordelen of het 'werkt'. Maar vaak ook vind je tijdens de vertelkring pas het precieze onderwerp waar je een lijstje over wilt laten maken, en bedenk je de opdracht dus al werkende.
Een opdracht voor een lijstje moet concreet en afgebakend zijn. Lijstjes maken van voorwerpen, personen of plekken is meestal makkelijk. Je kunt die vaak met een enkel woord aanduiden en die woorden onder elkaar schrijven. Voorbeelden van opdrachten: maak een lijstje van dingen bij jou thuis die kapot zijn; maak een lijstje van juffen en meesters die je in je leven gehad hebt; maak een lijstje van plekken waar je geweest bent waar water is.
Moeilijker is het voor kinderen vaak om een lijstje van handelingen, situaties, momenten of gebeurtenissen te maken. Daarvoor zijn meer woorden nodig, en die veranderen al gauw in een heel verhaal. Je moet leren hoe je een korte zin over zoiets kunt opschrijven, of een steekwoord dat voor jouzelf genoeg zegt. Het kan een tijdje nodig zijn om een voorbeeldlijstje van zulke zinnen of steekwoorden op het bord te maken. Wel weer uitvegen voor ze zelf aan de slag gaan, anders komen ze in de verleiding het te gaan overschrijven.
Tijdens het maken van een lijstje hoeft het niet doodstil te zijn. Terwijl de kinderen aan hun lijstje beginnen, lees je af en toe hardop voor wat je op je eigen lijstje hebt geschreven, of wat je op lijstjes naast je ziet verschijnen. Dat helpt anderen weer op ideeën. 'Afkijken' is bij deze werkvorm juist productief! Ook kan je kinderen nog even herinneren aan dingen die ze tevoren in de kring verteld hebben, zodat die in elk geval ook op de lijstjes komen.