Portaal

Hoofdstuk 3

Observatie van verschillende talige componenten

Hier vind je een voorbeeld van de manier waarop in het (taal)onderwijs verschillende ontwikkelingsaspecten aan de orde kunnen komen.

We gebruiken als voorbeeld het woord buschauffeur. Dat woord kan op verschillende manieren in het taalonderwijs aan de orde komen: bij woordenschatonderwijs in de onderbouw, bij technisch leesonderwijs en bij spelling. Ook kan het woord aanleiding geven om na te denken over taal, over de vorm van het woord of de functie van het woord in een zin

Dit gebeurt nooit allemaal in één les. Op verschillende momenten en in verschillende situaties ondersteunt de leerkracht de taalverwerving van de leerlingen. Dat kan bij leesonderwijs zijn, bij schrijfonderwijs of bij mondeling taalonderwijs, maar ook bij andere vakken dan taal en buiten de lessituatie om. Ook het doel kan variëren:

  • taalbeheersing: het kunnen lezen en correct spellen van een woord
  • taalbeschouwing: nadenken over de functie van het woord in de zin, oorsprong van het woord;
  • kennis van de wereld: wat is een buschauffeur, waar kom je die tegen, hoe kun je dat worden enzovoort.

Woordenschat

In een verhaal komt een buschauffeur voor. De leerkracht laat een foto zien van een bus met een chauffeur voorin en vertelt wat hij allemaal doet. Het gaat hier om het leren van de betekenis van een woord teneinde de woordenschat en de kennis van de wereld uit te breiden. Het leren van woorden kom je tegen bij mondeling en schriftelijk taalonderwijs en de leerkracht gebruikt daarbij woordenschatdidactiek. In hoofdstuk 4 gaan we hierop verder in. In hoofdstuk 9 is uitgewerkt hoe woordenschatdidactiek een rol speelt bij tweedetaalonderwijs.

Lezen

Het lezen van een samengesteld woord waarvan de schrijfwijze afwijkt van de uitspraak is een onderdeel dat bij voortgezet technisch lezen aan de orde komt (zie hoofdstuk 5).

Spelling

Hoe schrijf je buschauffeur? Het is een onveranderlijk woord, een zogenoemd weetwoord, waarvan de spelling vastligt (zie hoofdstuk 6).

Taalbeschouwing: vorm

We kunnen kijken naar de vorm van het woord (morfologie). Het is opgebouwd uit twee delen: bus en chauffeur. Bus is een Nederlands woord en chauffeur is een van oorsprong Frans woord. Wie kent nog meer woorden uit het Frans die we in het Nederlands gebruiken (zie hoofdstuk 7)?

Taalbeschouwing: grammatica

Buschauffeur is een zelfstandig naamwoord. Hoe weet je dat? Je kunt er een lidwoord en een bijvoeglijk naamwoord voor zetten, je kunt er een verkleinwoord van maken en je kunt het in het meervoud gebruiken. Bij zinsontleding maakt het woord meestal samen met een lidwoord deel uit van een zinsdeel, bijvoorbeeld een onderwerp of lijdend voorwerp (zie hoofdstuk 7).

Jeugdliteratuur

De leerkracht kan bij het thema vervoer een verhaal of een gedicht over een buschauffeur kiezen (zie hoofdstuk 8).