Volgende Vorige Hoofdstuk 10 10.1 Dialoog 10.2 Woordenlijst 10.4 Bedoelen en betekenen 10.5 Imperfectum 10.6 Imperfectum modale ww 10.8 Uitspraak: ui en ui — ou / au Verdieping Opdracht 1: Regelmatige werkwoorden 1 Opdracht 2: Regelmatige werkwoorden 2 Opdracht 3: Onregelmatige werkwoorden 1 Opdracht 4: Onregelmatige werkwoorden 2 Opdracht 5: Onregelmatige werkwoorden 3 Vul de imperfectumvorm in van het werkwoord tussen haakjes. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 De serveerster [?] een lepel. (halen)2 Eerst [?] hij over zijn reis naar Kenia. (vertellen)3 In Parijs [?] hij in een groot café. (werken)4 Het [?] de hele week. (regenen)5 De kinderen [?] elke dag op straat. (spelen)6 De fietsenmaker [?] de fiets. (controleren)7 Ze [?] de hele dag Nederlands. (praten)8 Hij [?] zijn vrienden op koffie. (trakteren)9 Ze had veel jeuk en [?] haar huid kapot. (krabben)10 Hij [?] niet op de vraag van de docent. (antwoorden) Controleer opdracht oké