Volgende Vorige Hoofdstuk 10 10.1 Dialoog 10.2 Woordenlijst 10.4 Bedoelen en betekenen 10.5 Imperfectum 10.6 Imperfectum modale ww 10.8 Uitspraak: ui en ui — ou / au Verdieping Opdracht 1: Regelmatige werkwoorden 1 Opdracht 2: Regelmatige werkwoorden 2 Opdracht 3: Onregelmatige werkwoorden 1 Opdracht 4: Onregelmatige werkwoorden 2 Opdracht 5: Onregelmatige werkwoorden 3 Vul de juiste vorm van het imperfectum. Elke zin heeft twee werkwoorden. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht. Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 weten, zijn[?] je niet hoe laat het [?]?2 willen, krijgenIk [?] rode wijn, maar ik [?] witte wijn.3 houden, etenIk [?] niet van stamppot andijvie, maar we [?] het thuis vaak.4 nemen, kiezenHij [?] een cappuccino en zij [?] ijs met vruchten.5 begrijpen, vragenIk [?] niet wat de docent [?].6 spijten, lijkenHet [?] hem heel erg, maar het [?] hem geen goed idee.7 roepen, komen Ik [?] de serveerster, maar ze [?] niet.8 mogen, doen[?] jullie niet zelf kiezen wat jullie [?]?9 kijken, vallenHij [?] niet goed naar rechts, daarom [?] hij.10 zoeken, kunnenWe [?] het boek, maar we [?] het niet vinden. Controleer opdracht oké