Hoofdstukken
Uitspraakoefening [v] – [w]
Zeg de woorden na en laat het verschil duidelijk horen: bij [v] blazen, bij [w] niet blazen.
Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.
vind – wind
vel – wel
vaar – waar
voort – woord
vond – wond
veer – weer
vier – wier
vit – wit
bevolkt – bewolkt
gevonden – gewonden