Hoofdstukken
Vraag en antwoord [v]
Geef antwoord met het gegeven woord. Let op de uitspraak van de [v].
Voorbeeld:
> Ja, … (vraag)
Antwoord:
Heb je een vraag? > Ja, ik heb een vraag.
Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.
> Ja, … (veel)
> Ja, … (vandaag)
> Ja, … (van vijf)
> Ja, … (vier)
> Ja, … (vanavond)
> Ja, … (vind, vervelend)