Beter Nederlands spreken

Hoofdstukken

Vraag en antwoord [w]

Geef antwoord met het gegeven woord. Let op de uitspraak van de [w].


Voorbeeld:

> Ja, … (weg)

Antwoord:
Ga je weg? > Ja, ik ga weg.


Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.

  

> Ja, … (winkelen)




> Ja, … (werk)




> Ja, … (wacht)




> Ja, … (woensdag)




> Ja, … (weer)




> Ja, … (weekend)