-
Herinner je je het moment nog ….. je voor het eerste iemand kuste?
-
waar
-
waarop
-
Ze was op school verliefd op de jongen ….. naast haar zat.
-
die
-
met wie
-
Snel wegrennen was het enige ….. ik kon bedenken!
-
wat
-
die
-
De man ….. Sonja gaat trouwen, heeft twee kinderen uit een eerdere relatie.
-
met wie
-
waarmee
-
Ze heeft me alles verteld ….. ze over hem wist.
-
die
-
wat
-
Hier is een foto van het huis ….. we vijf jaar gewoond hebben.
-
dat
-
waar
-
Hij heeft hobby’s ….. zij helemaal niet geïnteresseerd is.
-
die
-
waarin
-
Volgens mij is er iets ….. je wat meer zou willen vertellen.
-
waarover
-
wat
-
Hij zei toen iets ….. haar heel zenuwachtig maakte.
-
dat
-
wat
-
Succes is het doel ….. we willen bereiken.
-
dat
-
waarover
-
Gelukkig had hij een paar vrienden ….. hij heel goed kon praten.
-
die
-
met wie
-
Dat is het gekste ….. ik ooit gehoord heb!
-
wat
-
dat