-
Dat is nieuws ….. ik heel erg geschrokken ben.
-
waarvan
-
die
-
Hij ergert zich aan het lawaai ….. de kinderen van de buren maken.
-
dat
-
die
-
Hij denkt dat het aan de ouders ligt, ….. geen grenzen stellen
-
wat
-
die
-
In het café zagen we Sandra en Owen, ….. samen op stap waren.
-
met wie
-
die
-
Dyslexie is een gebrek ….. niet direct opvalt.
-
dat
-
wat
-
Verliefdheid is een gevoel ….. je moeilijk kunt verbergen.
-
waarvoor
-
dat
-
De tentoonstelling ….. we bezoeken, is geopend vanaf 10 uur.
-
waarnaar
-
die
-
Ken je Teresa? Ik bedoel die Teresa ….. ook in ons studentenhuis woont.
-
wat
-
die
-
De interviews ….. ze vertelden over hun date, stonden in de krant van zaterdag.
-
waarin
-
waarover
-
Ik wilde een cadeau voor je kopen, maar ik zag niets ….. ik echt heel mooi vond.
-
wat
-
dat
-
Het beleid ….. het ministerie nu voert, is volgens mij niet goed.
-
waarnaar
-
dat