Wanneer vinden de hechtingsprocessen bij mensen plaats?
Tijdens een relatief korte, kritische periode na de geboorte.
Tijdens de eerste twee levensjaren.
Tijdens het gehele leven.
Bij het ontstaan van gehechtheid zijn sensitiviteit en responsiviteit van het grootste belang. Dat geldt voor:
De moeder van het kind.
Alle verzorgers van het kind.
De verzorgers van het kind en het kind zelf.
Wat is een belangrijke factor bij de ontwikkeling van (veilige) gehechtheid?
De voorspelbaarheid van elkaars gedrag.
Het temperament van het kind.
Het gunstige verloop van de bevalling.
Tijdens de vreemdesituatieprocedure van Ainsworth is Pieter flink van streek als zijn moeder de ruimte verlaat. Als zij terugkeert huilt hij nog, maar laat zich snel oppakken en troosten. Als hij rustig is gaat hij spelen. Welke vorm van gehechtheid heeft Pieter waarschijnlijk?
Ambivalent gehecht.
Vermijdend gehecht.
Veilig gehecht.
Wat blijkt uit internationaal onderzoek naar het aantal kinderen dat veilig gehecht is?
Ongeveer driekwart van alle kinderen is veilig gehecht.
Ongeveer de helft van alle kinderen is veilig gehecht.
Ongeveer twee derde van alle kinderen is veilig gehecht.
Om een hechtingsstoornis vast te mogen stellen is niet alleen het kenmerkende gedrag van het kind voorwaardelijk, maar nog een tweede criterium. Welk criterium wordt bedoeld?
Het betreffende kind is geadopteerd.
Bij minimaal een van de ouders/opvoeders moet ook de reactieve hechtingsstoornis vastgesteld zijn.
Er is sprake (geweest) van een ziekmakende of verwaarlozende zorg voor het kind.
Volgens de vreemdesituatieprocedure is het gegeven dat een kind zich makkelijk door een vreemde laat troosten een mogelijke indicatie voor de gedesorganiseerde gehechtheid. Wat voor kritiek is hierop gekomen?
De test houdt te weinig rekening met culturele verschillen in opvoeding, er zijn immers (sub)culturen waarin kinderen door meerdere volwassenen worden opgevoed en daardoor minder bang kunnen zijn voor vreemden.
De test houdt te weinig rekening met leeftijdsverschillen. Immers wat oudere kinderen hebben al meer ervaring kunnen opdoen met onbekende volwassenen en laten zich daarom eerder door hen troosten.
De test houdt te weinig rekening met sekseverschillen. Meisjes zijn veel meer gespitst op relaties en onbekende mensen en laten zich daarom minder makkelijk troosten door vreemden dan jongens die daarin minder kritisch zijn.
Welke kindkenmerk kan een risicofactor zijn voor een verstoord hechtingsproces?
Hoogbegaafdheid als dat niet onderkend wordt.
Een eetstoornis zoals anorexia nervosa.
Een moeilijk temperament.
Op welke andere stoornissen op latere leeftijd geven hechtingsstoornissen een groot risico?
Eetstoornissen.
Gedragsstoornissen.
Paniekstoornissen.
Wat is een belangrijke succesfactor in de ondersteuning van opvoeders van kinderen met risico op gehechtheidsproblemen?
Laat met behulp van video-opnames goed zien wat de opvoeders verkeerd doen.
Leer de opvoeders om niet direct op de signalen van het kind te reageren want hun eerste reactie is vaak verkeerd.
Geef de ondersteuning thuis in de eigen context van het gezin.