Iedereen kan leren schrijven

Kleuters

Als kinderen in de onderbouw elkaar napraten

In de vertelkring in groep 3 over 'stout zijn' begint een kind te vertel­len hoe hij stiekem naar buiten gaat. Een groot aantal kinderen vertelt daarna ook hoe ze stiekem naar buiten gaan. Soms is een detail een beetje an­ders. Ik vraag weinig en ga snel naar het volgende kind. Er komt een ver­haal tussendoor over belletje trek, daarna over kauwgum pik­ken. Dan is er weer een aantal (doorgaans vrij stille) kinderen dat vertelt over stiekem naar buiten gaan. Hun verhalen lijken erg op elkaar. Het wordt een beetje saai. En het lijkt wel of ze elkaar napraten. Voor mij is dit een moment om te werken aan het 'borre­len'.

Ik zou dat kunnen doen door iets uit de vertelde verha­len te pikken en daarover aan andere kinderen een vraag te stellen: 'Wie heeft ook wel eens belletje trek gedaan?' of: 'wie heeft ook wel eens stiekem snoep gepakt?' Ik zou bij het ver­tellen hier en daar uitgebreid doorvragen, zodat een ervaring gedetailleerd naar voren komt in de kring. Bij de kinderen die luisteren ontstaat dan meer beeld. Een andere mogelijkheid: het gedicht 'ik ben lekker stout' van Annie M.G. Schmidt voorlezen. Dat beschrijft een verzameling uiteenlopende stoute dingen. Ik besluit het te proberen en lees voor. Alleen voorlezen blijkt echter niet genoeg te zijn om de kinderen op nieuwe ervaringen te brengen. Als we doorgaan met de vertelronde, komen er opnieuw verhalen over stiekem naar buiten gaan. Er zijn overigens wel mooie details in de verhalen. Ik stel af en toe een verduide­lijkende vraag; dat levert nog weer meer details op. In de ronde blijven we hangen bij een meisje dat zegt: 'Ik mag wel altijd naar buiten.' Het is even stil. Ze denkt duidelijk dat iedereen moet vertellen dat hij niet naar buiten mag, maar ze heeft die ervaring gewoon niet. Ik grijp in, door te vertellen hoe ik met mijn kinderen 's avonds aan tafel zit en dat ze niet mogen opstaan voordat iedereen klaar is met eten. Ik vraag wie ook iets niet mag aan tafel. Younes begint te vertellen over hoe hij in de kamer vecht met zijn broertje. 'Zegt mijn moe­der: wat doen jullie? En dan zeggen we niks. Gaan we tv kijken tot half negen. Maar ik wil tot half tien.' Ik ga door op dat tv kijken en vraag wie wel eens langer of stiekem tv gaat kijken. Er komt rumoer, vingers, het wordt herkend. Er komen verschillende verhalen over. Priscilla vertelt heel lang over allerlei dingen, maar de pointe is toch het stiekem tv kijken. Ik vraag alleen daarop door, hoe doet ze dat dan precies, stiekem? Ze vertelt beeldend hoe haar moeder zit te kijken en dat zij stilletjes achter de bank sluipt en meekijkt. Hierna komen er nog verhalen over stiekem snoepen en over broertjes slaan. Een ander verhaal brengt mij op het aspect: dingen die je van je vader wel mag en van je moeder niet, of andersom. Dit roept een nieuwe stroom verhalen op. Zo probeer ik goed te luisteren en naar aanleiding van de verhalen steeds iets veranderen van de invalshoek van het onderwerp. De beurten gaan niet meer zo netjes op het rijtje, maar het probleem van 'napraten' is op het laatst helemaal verdwenen. Iedereen heeft aan het eind van de vertelkring iets eigens om over te schrijven en te tekenen.

Elke onderbouwleerkracht maakt mee dat in een vertelkring kinderen de leerkracht of andere kinderen napraten. De juf vertelt bijvoorbeeld iets dat haar overkomen is, daarna geeft ze beurten aan kinderen om iets over zichzelf te vertellen, en hoort haar eigen verhaal meerdere keren terugkomen. Kinderen vertellen een ervaring van een ander alsof het hun eigen erva­ring is. Waarom doen ze dat eigenlijk? Het kan verschillende redenen hebben.

Bij jonge kleuters, zeker kleuters met weinig Nederlandse taal tot hun beschikking, is het herhalen van een gehoord verhaal al moeilijk genoeg. Ze oefenen hun taal en hun voorstellings­vermogen door te herhalen wat ze gehoord hebben. Bij vier- en vijfjarigen komt daar bij, dat de grens tussen fantasie en werkelijk­heid nog vaag is. Ze kunnen zo opgaan in een verhaal dat hen wordt verteld of voorgelezen, dat ze er als het ware zelf in gaan zitten en ook het gevoel hebben dat ze het zelf beleefd hebben. Het 'napra­ten' is dan dus zeker geen 'liegen'. Echte en gefantaseerde ervaringen kunnen bij deze leeftijds­groep nog vaak door elkaar lopen. Voor een begeleider vraagt dat om voorzichtigheid. Het heeft weinig zin om tegen zo'n kind te zeggen: 'Dat is niet waar.' Het kind zou er waar­schijnlijk door afgeschrikt worden en in verwarring raken. Toch kan je het als leerkracht be­langrijk vinden dat jonge kinderen het verschil tussen 'echt' en 'bedacht' beter leren zien. Je moet dan dus naar middelen zoeken om het ze zelf te laten voelen.

Bij oudere kleuters en zes- en zevenjarigen kunnen nog andere dingen meespelen. Meestal weten deze kinderen heel goed of iets echt gebeurd is of niet. Ze kunnen echter gestoord worden door hun wens het 'goede' verhaal te vertellen, dat wil zeg­gen: een verhaal dat door de juf goedgekeurd wordt of dat succes zal hebben bij de andere kinderen. Ook kan het verhaal van een ander in de weg zitten bij het denken over hun eigen erva­ringen: ze hebben dan eenvoudig nog niet genoeg ruimte gehad om op iets eigens te komen. Het navertellen van een ander is dan een makkelijke uitweg. Ook in dit geval is het beter om de kinderen voorzichtig te helpen bij hun denk- en vertelproces, dan om ze terecht te wijzen.

Ik probeer te helpen door heel veel te vragen en heel veel zelf in te brengen, inplaats van mijn mond te houden uit angst dat ik ze beïnvloed. Mijn achterliggende idee is: hoe meer verhalen er tijdens de vertelkring opkomen, hoe meer de associaties bij de kinderen gaan stromen en hoe meer kans er is dat ze zich ineens een ervaring herinneren. In een dood­stille kring op het rijtje af een vraag moeten beantwoorden is voor veel kinde­ren (en volwasse­nen) eng. Het slaat dood en je denkt gemakkelijk: 'ik zeg maar gauw wat, dan ben ik er vanaf.'

Een vertel­ronde die voorafgaat aan tweetalgesprekken en teke­nen of schrij­ven, heeft vooral een oplaadfunctie: alles gaat borrelen, een onderwerp wordt aan alle kanten verkend, ieder­een wil tegelijk vertellen. Het kan heel druk worden, hoewel ik altijd een afwisseling zoek tussen borrelen en geconcen­treerd luisteren naar een vertellend kind.
In groepen die vaak op deze manier in de kring vertellen, zullen ook jonge kinderen elkaar steeds minder gaan napraten en steeds geoefender raken in het precies en persoonlijk verwoorden van wat ze hebben meegemaakt. Daardoor gaan ze zelf zien dat niemand precies hetzelfde meemaakt als een ander.