Iedereen kan leren schrijven

Kleuters

Kleuters helpen bij taaltekeningen maken

Met de kleuters hebben we in de vertelronde gepraat over hoe je thuis zit te eten. Juf Christa geeft de tekenopdracht: ‘Teken waar je thuis bent als je gaat eten’. De kinderen beginnen bijna allemaal met tekenen in het grote kader op hun blaadje. Juf Christa loopt rond om bij zoveel mogelijk kinderen te checken of ze weten wat ze gaan tekenen. Aan een van de tafels zit een clubje jongens die allemaal bezig zijn een driehoek te tekenen en die zwart in te kleuren met hun pen. Door individueel met ze te praten krijgt ze sommigen daar van af. Met Huseyin begint ze bijvoorbeeld een gesprekje over waar hij meestal eet, terwijl hij zijn driehoek verder inkleurt Hij geeft antwoord, ze vraagt of ze het vast onder de tekening mag schrijven en dat hij daarna de tekening afmaakt. Dat vindt hij goed. Ze schrijft zinnen op die soms helemaal van hem komen, soms een samenwerking van hen zijn. Er staat nu: Waar we televisie kijken, daar gaan we eten. We zitten op een krukje aan tafel. Mijn moeder gaat mijn brood snijden. Ze vraagt of hij dat ergens kan tekenen, hijzelf en zijn moeder op een krukje. Hij tekent heel klein een tafeltje naast de zwarte driehoek. Een stoeltje erbij, een figuurtje er op. Juf Christa kijkt wat hij doet en benoemt steeds wat ze denkt dat het voorstelt, hij bevestigt of verbetert haar.

Een meisje tekent altijd eerst clichés: zonnetjes, hartjes, bloemetjes, puntdaken. Ook bij hen volgt Christa het procedé van eerst los van de tekening laten vertellen, daarvan een deel opschrijven, en tussendoor af en toe iets kleins aan de tekening laten toevoegen dat met het verhaal te maken heeft. Dit geeft de kinderen het vertrouwen dat ze de dingen die ze vertellen ook kunnen tekenen. Langzamerhand zullen ze dat vertrouwen ontwikkelen.

 

Bij meer kleuters vraag ik tijdens het gesprek of ze er nog even iets bij kunnen tekenen. Dat doen ze dan altijd meteen. Of ze bedenken zelf nog iets veel beters. Dan praten we weer verder. Irvan tekent bijvoorbeeld zijn rits nog op zijn jas en ook het Nike-teken. Meriem tekent de touwtjes aan haar jas erbij (ook al was het eerst geen jas maar een sneeuwpop). Lisa tekent een heel klein kapstokje bij in het huisje dat er al staat. Tolgahan vraag ik om zijn moeder er nog bij te tekenen die zijn jas opraapt. ‘Hoe moet dat dan’, vraagt hij. ‘Nou gewoon, je tekent nog iemand ernaast met haar hand zo’ zeg ik en steek mijn arm uit. Hij kijkt me aan en zegt ‘Nee, ik teken mijn vader’. Dat vind ik natuurlijk ook goed. Er komt naast het poppetje dat hemzelf voorstelt een tweede, groter poppetje. Zijn vader komt ook in de bijgeschreven tekst voor.

 

Kleuter Seraino zegt alsmaar dat hij geen jas kan tekenen, en ook iets anders niet. Ik probeer een gesprek met hem te krijgen over iets met zijn jas, en niet meer over het tekenen zelf te praten. Hij vertelt over zijn bed waar hij zijn jas op legt. Ik stel allerlei vragen over dat bed, die hij zonder aarzelen beantwoordt. Tenslotte vraag ik hem of hij dan eerst even dat bed wil tekenen, en dat ik dan weer terugkom. Hij protesteert eerst maar begint toch met lijnen. Even later heeft hij een trappetje erbij getekend. Ik vraag waar hij nu precies die jas legt, aan het voeteneind? 'Nee,' zegt hij beslist, ‘ik moet mijn jas op die blokken van mijn bed hangen, want de kapstok is stuk.’ Deze zin schrijf ik onmiddellijk onder zijn tekening, omdat hij duidelijk en concreet is en er zomaar uit komt. Ik vraag of hij dan nog even die blokken aan het bed kan tekenen. Weer protesteert hij, maar er komen toch twee vormpjes bovenaan bij. Zo is zijn taaltekening (tekening plus tekst) compleet. Ik heb hem er stap voor stap bij moeten begeleiden. Volgende keer hoop ik dat hij minder onzeker zal zijn.

Kleuters tekenen altijd veel op school, maar tekenen over een ervaring is vaak ongewoon voor ze. Daarom hebben ze meestal hulp en aanmoediging nodig als ze taaltekeningen gaan maken bij taalvorming.

Een taaltekening kan je beschouwen als een specifieke vorm van tekenen, net zoals je ook verschillende vormen van schrijven hebt. In een taaltekening geef je in beeld weer wat je hebt beleefd of waargenomen. Hoe preciezer de tekening dat weergeeft, hoe beter. Een taaltekening hoort bij een talige uitwisseling: in de vertelkring, in een gesprek tussen leerkracht en kind, als hij wordt voorgelezen in de groep.

Meestal zie je in een groep een paar kinderen met gevoel voor tekenen, die het meteen gaan doen en die ook zelf van alles bedenken. En vaak zijn er ook kinderen die tekenen niet leuk vinden of denken dat ze het niet kunnen. Die klampen zich vaak vast aan clichés of imiteren elkaar. Tekenen over ervaringen is een manier om de onzekere kinderen houvast te geven. 'Teken jullie ijskast en alles wat er in zit', 'teken waar je schoenen thuis staan', 'teken een plek waar je buiten gespeeld hebt', 'teken jezelf met je winterjas aan'. Eerst zeggen ze: 'dat kan ik niet.' Dan moedigen we ze aan om het te proberen. We praten vervolgens over wat er op de tekening te zien is, waar hij over gaat, en wat er nog bij zou kunnen. Niet over hoe mooi hij is.

Kleuters helpen bij taaltekeningen maken betekent: steeds met ze in gesprek zijn over de getekende ervaring. Goede tekenaars kunnen hun tekening uitbreiden met details. Kleuters die nog in de krasfase zijn kunnen al vertellend hun gekras betekenis geven. Onzekere kinderen kunnen geleidelijk loskomen van clichés. Dat gebeurt allemaal als de leerkracht hun tekening benadert als wat een taaltekening is: een getekende mededeling.