Kleuters
Bijschrijven bij taaltekeningen van kleuters en groep 3
| Bijschrijven bij Glennary: van een globaal naar een precies verhaal Glennary begint me een globaal verhaal te vertellen over haar verjaardag. Het gaat over taarten, over haar tante, die op bezoek kwam, over haar feestje, dat ze gingen dansen. Ik luister en probeer te peilen wat voor haar het belangrijkste is om erbij te schrijven. Ze gaat nog steeds door, ik onderbreek haar: 'Nou, welk stukje van je verhaal zullen we opschrijven, van de taart of van het dansen?' Ze zegt gelijk ‘Van de taart’. Hiermee hebben we een stukje van haar verhaal afgeperkt, nu moet het alleen nog een gedetailleerd verhaal worden. Ik vraag haar te vertellen van die taart.' Ze zegt: 'Nou, mijn moeder had twee taarten gekocht en die ene was al op.' Ik snap het niet en vraag wie hem dan opgegeten had. 'Nee,' zegt ze, 'een was voor Prakiki en een was voor thuis.' Ik zeg: 'zal ik dat opschrijven?' Ze knikt. Ik schrijf: mijn moeder had twee taarten gekocht, een voor Prakiki en een voor thuis. Ik vraag: 'wil je vertellen van die taart van Prakiki of die van thuis?' 'Die van thuis,' besluit ze. Ik vraag hoe hij eruitzag. Het was een pinguïntaart. Ik vraag nog wat verder en het hele verhaal rolt er zo uit. Ik schrijf het achter elkaar op, stel alleen af en toe een vraagje ter verduidelijking: 'welk stukje van de taart at jij dan op?' Kortom: een echte coproductie, deze tekst. Ik help haar de eerste richting te bepalen: de taart. Daar vraag ik op door, zodat haar verhaal concreet wordt.
Bijschrijven bij Mark: een kind dat moeilijk vertelt Mark heeft een vierkant getekend met een mens erin en boven allemaal regen. Ik vraag niet wat hij heeft getekend, maar wat er op zijn tekening gebeurt. Hij praat heel zachtjes, ik kan hem niet verstaan en moet wel drie keer vragen of hij het nog een keer wil zeggen. Dat vind ik heel vervelend, hij ook. Hij zegt niks meer. Dan vraag ik toch maar: 'wie is dat hier binnen?' 'Mijn oma,' zegt hij. Ik probeer een heleboel vragen. Eerst open vragen: waar was jij? wat deden jullie? wat gebeurde er met de regen? Maar overal krijg ik of een heel zacht of geen antwoord op. Hij kijkt me ook aan alsof ik iets heel moeilijks vraag. Ik ga dus maar over op wat meer gesloten vragen. Ik vraag 'regende het?' Hij knikt. Ik begin te schrijven, misschien komt het verhaal daardoor los. Ik schrijf het regende, en lees het voor. Ik vraag naar zijn oma. Hij zegt niks. Ik vraag: 'was je bij oma?' Hij knikt weer. Ik schrijf 'ik was bij oma,' en lees het voor. Dan vraag ik: 'wat deden jullie bij oma? Gingen jullie naar buiten?' Hij zegt: 'nee, we keken.' Ik: 'naar de regen?' Mark: 'ja.' Dat schrijf ik op als laatste zin: we keken naar de regen. Het is in ieder geval iets. Later tekent hij er nog een auto bij. Als ik het zie, vraag ik nog door: 'gingen jullie in de auto?' 'Zagen jullie de regen op de auto?' Maar het levert niet echt iets nieuws op. Dus ik laat het zo. Mijn laatste poging is hem zichzelf bij zijn oma te laten tekenen. Hij doet het niet, ik laat het zo. Ik doe zijn tekening voorop het boekje en gebruik We keken naar de regen als titel. Hij is apetrots.
Bijschrijven bij Deirdre: fantaseren en ervaringen verwoorden Als ik bij Deirdre kom, heeft ze haar hele verhaal al bedacht. Ze vertelt het trots, het is een enorm verhaal over een bos, een muis, paaseieren, die ze vond. Ik geloof niet dat er een echte ervaring bij zit, maar dat zeg ik niet. Ik probeer ergens in haar verhaal een concreet aanknopingspunt te vinden, waar ik op door kan vragen. Ik zie dat ze een fiets getekend heeft en besluit daarmee te beginnen. 'Was je op de fiets?' Ze vertelt dat ze op de fiets was in een bos. Dat vind ik nog twijfelachtig en ik vraag: 'met wie fietste je?' 'Met mijn moeder,' zegt ze. Ik besluit met dit concrete stukje te beginnen en schrijf het op. Ik vraag: 'Hoe zat het dan met de regen? Wanneer ging het regenen?' 'Toen ik in dat bos was.' Ik schrijf: het ging regenen. Zo ga ik stukje voor stukje verder. Ik vraag wat er gebeurde toen het ging regenen. Ze vertelt van de muis, waar ze bijna overheen reed. Ik schrijf het op. Dan vraag ik: 'Wat gebeurde er met die muis toen?' Ze zegt: 'Die viel in slaap.' Dan wordt het me te gortig en zeg ik dat ik het niet geloof. Het kan niet een muis die overrent en dan opeens slaapt. Kinderen hoeven van mij helemaal niet de waarheid te vertellen, maar als ze iets verzinnen moet het wel een kloppend verhaal zijn. Kinderen doen dat beter als ze gebruik maken van echt beleefde ervaringen. Deirdre en ik onderhandelen over wat ik opschrijf. Mijn vragen zijn er vooral op gericht het verhaal concreet te houden: wat deed je precies? Uiteindelijk wordt de tekst: ik was aan het fietsen in het bos met mijn moeder. het ging regenen. toen liep er een muis over. ik fietste er bijna overheen. mijn moeder niet. toen ging ik remmen, maar ik had geen remmen, want ik had nog zijwieltjes. en ik ging gewoon stoppen. |
Als de vertelkring voorbij is, en de kinderen hebben hun tekening gemaakt, begint voor de leerkracht de fase van het bijschrijven. Elke leerkracht organiseert dat op haar of zijn eigen manier. Elke keer zes kinderen, of bijschrijven op kleine momenten tussendoor, of een klasse-assistent vragen op de andere kinderen te letten terwijl jij bijschrijft. Je zoekt naar een mogelijkheid om enkele minuten individuele aandacht te geven aan elk kind.
Bij taaltekeningen is het doel: kinderen aan het vertellen te krijgen bij hun tekening. Dat is iets anders dan over hun tekening vertellen. Vertellen over een tekening blijft gauw beperkt tot het benoemen van wat ze getekend hebben. Ze wijzen aan: dit is de zon, en dit is een beertje, en dit is mijn zusje. Bij taalvorming zijn we erop uit dat kinderen precies leren vertellen over een ervaring. Daarom vragen we niet zo gauw: wat heb je getekend? Maar eerst: wat gebeurt hier op jouw tekening? Of: wat ben jij hier aan het doen? Als die vragen niet uitnodigen tot vertellen, vraag je waar zij zelf zijn op de tekening en wie die anderen zijn. Soms werkt het goed om zelf te benoemen wat je ziet op de tekening en daaraan een vraag te koppelen. Bijvoorbeeld: 'Ik zie hier allemaal water, waar was dat water?'
Het kan voorkomen dat een kind zomaar wat heeft getekend en daarbij niet heeft gedacht aan een ervaring. Bijvoorbeeld omdat de werkvorm nog nieuw is, omdat het vergeten is wat het in de kring vertelde, omdat de opdracht onduidelijk was of omdat er geen ervaring bij hem is opgekomen. Gezien het doel van taaltekeningen kan je er dan voor kiezen, de tekening los te laten en je te richten op een gesprekje over een ervaring. Het resultaat daarvan kan zijn: dat de tekst losstaat van de tekening, dat de tekening wordt veranderd, of dat het kind de volgende keer beter begrijpt wat de bedoeling is.
Meestal schrijf je niet meteen op wat een kind begint te vertellen bij een taaltekening. Je neemt eerst even de tijd om te begrijpen waarover het vertelt en waar het zich bij betrokken voelt. Je formuleert dan samen met het kind een goede beginzin. Soms spreekt een kind zelf zo'n zin uit, soms help je mee er een zin van te maken. Daarna ontstaat stap voor stap de tekst. Jij bepaalt ook samen met het kind waar de tekst kan eindigen. Sommige kleuters willen eindeloos doorvertellen, anderen vinden het na 1 zin al goed. Jij kunt je vasthouden aan de norm, dat de tekst duidelijk en concreet moet zijn. Tijdens het bijschrijven lees je de tekst meerdere keren voor.
Een bijschrijfgesprek is een unieke vorm om kleuters individueel tot actief taalgebruik te brengen. Het geeft stille kinderen een kans. En het geeft de leerkracht de mogelijkheid, taalaanbod en feedback aan te passen wat aan een individueel kind nodig heeft.