Kleuters
Taaltekeningen voorlezen in de kring
Alle taaltekeningen over jassen komen aan het einde van de ochtend terug in de kring bij de kleuters. Ik lees de tekst voor, laat de tekening zien en laat nu en dan nog een kind wat erbij vertellen. Ook wijs ik soms op details van een tekening. De kinderen kijken vaak verbaasd naar wat ze zelf gemaakt hebben en zijn trots. Er komen allerlei nieuwe kwesties en woorden op:
Juf Christa herinnert de kleuters eraan dat na het voorlezen en tonen van een tekening, niemand mag lachen of iets roepen. Dit herhaalt ze nog enkele keren tijdens de voorleeskring, omdat er toch steeds kinderen zijn die ‘wow!’ roepen of ‘zo lelijk’ of heel hard lachen om een tekening. Het is belangrijk dat deze regel bij de kinderen gevestigd wordt. Hij is essentieel voor de veiligheid in de groep, en die is weer essentieel voor het zinvol kunnen werken met taaltekeningen. Ook het afkeuren van negatief commentaar is belangrijk. Tolgahan wordt uit de kring gezet als hij opzettelijk een vermaning van Christa negeert. Tijdens het voorlezen valt de betrokkenheid op van kinderen die hun eigen verhaal terughoren. Vaak willen ze nog iets toelichten, Christa stelt ook hier en daar verduidelijkingsvragen. In deze gesprekjes gaat het vaak om het uitleggen van woorden en begrippen - taalontwikkeling op een presenteerblaadje! Zo noteer ik deze keer de kwesties:
Bij het voorlezen van de taaltekeningen hanteer ik deze keer een andere werkvorm, ook omdat nu niet alle kleuters een tekening in het boekje hebben. Ik vraag ze om hun handen op de knieën te leggen. Dan lees ik een tekst voor en laat de tekening zien. Ik stel een wie-heeft-dat-ook vraag naar aanleiding van de tekst (dat is een vraag of iemand een vergelijkbare ervaring gehad heeft). Wie iets wil zeggen doet zijn handen over elkaar. Ik geef dan 1 vertelbeurt en ben soms al tevreden met een of twee woorden. We doen dat bij ongeveer tien teksten, daarna stoppen we wegens de drukte. Opbrengst van deze vorm: actief luisteren door de kinderen; steeds opnieuw even alle aandacht hebben omdat ze wachten op de vraag; zien wat kleine verhaaltjes aan nieuwe associaties kunnen oproepen; als begeleider oefenen met een wie-heeft-dat-ook vraag naar aanleiding van een tekst; de aandacht verleggen van de maker van de tekst/tekening naar de inhoud ervan.
Het voorlezen van het boek in de kring vind ik altijd heel belangrijk. Duidelijk wordt wat het resultaat is van die ochtend werken. Ook komt elk kind even heel goed naar voren met een tekening en een tekst. Vaak geven de teksten aanleiding tot nieuwe gesprekken, zoals ook nu in groep 3: we praten over hoe je splinters krijgt, wanneer je weleens twee verschillende sokken aan hebt, hoe je moet slippen met je fiets, wat je allemaal weleens naar beneden hebt zien komen vanaf de balkons van de flats. Allemaal naar aanleiding van dingen uit de tekeningen en teksten. De kinderen blijven tot het eind heel betrokken. Ik vraag aan het eind wie nog iets wil zeggen over deze ochtend. Drie kinderen zeggen iets persoonlijks: Nana zegt hoe verbaasd hij was dat er ineens een boek was: Bherosh zegt hoe leuk hij Randolfs verhaal over de modder vond; Janine heeft een idee om ook foto’s in het boek te doen. |
Een taalronde is pas echt rond, als de teksten die de kinderen geschreven hebben zijn voorgelezen. Bij de kleuters geldt dat nog extra. Vaak zijn ze alweer vergeten waar de vertelkring die ochtend over ging en wat ze zelf ook weer hadden getekend. Als de taaltekeningen, al dan niet tot een boek gebundeld, één voor één in de kring worden voorgelezen, heerst vaak grote verbazing en luisteren de kinderen met aandacht.
Het gaat niet alleen om trots en tevredenheid. Het gaat ook om taal die precies past op de ervaringswereld van de kinderen, en waarbij ze zich dan ook betrokken voelen. Het voorlezen van de teksten leidt vaak tot intensieve kringgesprekken, over taal en woorden, en over de inhoud van de verhalen. Tijdens zo'n voorleeskring kan je het gevoel krijgen, dat het doodgemakkelijk is om met kleuters in de grote kring te praten. De teksten zijn een soort ankers, waar je steeds weer bij kunt terugkeren. Als begeleider kan je je beperken tot het stellen van vragen, het geven van beurten en het aanbieden van noodzakelijke nieuwe woorden.