Kleuters
Fantasieverhalen bij taaltekeningen
Ik heb met de kleuters gepraat over verlanglijstjes en over wat ze in hun schoen willen hebben. De kinderen hebben daarna een taaltekening gemaakt van iets wat ze heel graag willen hebben en wat ze daar dan mee doen. Deze opdracht vraagt niet naar een ervaring, maar naar een wens. Zouden alle kinderen daar wel even gemakkelijk mee uit de voeten kunnen? Gelukkig blijkt dat zo te zijn. Alle kinderen zitten gedreven zichzelf te tekenen met wat ze aan het doen zijn met een grote wens.
Imelda heeft zichzelf getekend en daarnaast een schoen. Ik vraag wat ze graag wil hebben van Sinterklaas. Ze zegt: 'Rode schoenen met veters en een rits.' Ik vraag hoe Sinterklaas kan weten dat zij die schoenen wil. Imelda vertelt dat ze het gaat opschrijven op het verlanglijstje. Hier had ik kunnen stoppen, maar ik ga nog even door. Ik wil weten hoe dat verlanglijstje bij de Sint terecht komt. Ook daar heeft Imelda meteen een antwoord op. Ze doet het in haar schoen. 'En,' voegt ze eraan toe, 'ik leg een appel neer voor Americo het paard van Sinterklaas.' Imelda vertelt mij niet een ervaring, daar vraag ik ook niet naar. Ik vraag naar iets wat ze van plan is. Ze vertelt wel heel precies en concreet, ze maakt gebruik van eerdere ervaringen. Ik merk dat ik bij verschillende kinderen dezelfde vragen stel: wat wil je graag hebben, hoe laat je Sinterklaas dat weten, en op die tweede vraag dan nog wat concreter doorgaan. Tot slot vraag ik, als het om speelgoed gaat hoe ze ermee gaan spelen. Hoe ze zich dat voorstellen.
Bij Roland gaat het gesprek bijvoorbeeld vooral over die laatste vraag. Hij gaat een speelgoedonderzeeboot vragen en een gewone boot. Ik vraag waar hij ermee gaat spelen. 'Thuis,' is het antwoord. Bij 'thuis' kan ik me niks voorstellen. Ik vraag door en hij vertelt dat hij in de woonkamer op de grond speelt. Ik vraag wat dan het water is. Met die vraag breng ik hem in verwarring. Hij zegt dat er geen water is in de woonkamer. 'Nee, maar ik bedoel alsof,' zeg ik. 'Wat speel je dan dat het water is.' Roland vertelt dat het tapijt het water is. Nu zitten we op dezelfde golflengte. Roland vertelt geestdriftig bij zijn tekening terwijl hij alles aanwijst. Hij vertelt op een intense en betrokken manier. Ik ga helemaal mee in zijn verhaal en van daaruit kan ik heel gemakkelijk vragen stellen die hem weer verder helpen bij zijn verhaal. Rolands verhaal is een fantasieverhaal, maar wel een fantasieverhaal dat geworteld is in ervaringen en getuigt van een enorme betrokkenheid. Het is geen clichéverhaal, of een verhaal om zich ervan af te maken, of een verhaal om indruk te maken omdat hij denkt dat zijn eigen ervaring niet interessant genoeg is.
Tekst van Imelda: Ik wil rode schoenen met veters en een rits Ik ga het opschrijven op het verlanglijstje Dat doe ik in mijn schoen en ik leg een appel neer voor Americo het paard van Sinterklaas
Tekst van Roland: Ik ga aan Sinterklaas een speelgoedonderzeeboot vragen en een gewone boot Ik speel dat ons tapijt het water is De onderwaterboot gaat naar de gezonken boot Want daar ligt goud in en dat hebben ze nodig om een onderwatertelevisie te kopen. |
Kleuters fantaseren veel en graag. Ook tijdens een taalronde en bij het maken van taaltekeningen kan je dat merken. Sommige kinderen gaan ineens over van vertellen over een ervaring op fantaseren, of verliezen zich helemaal in een zelfbedacht verhaal. Vaak zijn ze eraan gewend dat hun tekeningen over alles mogen gaan, en de bijbehorende verhalen ook.
Bij taaltekeningen is dat anders. Daar vragen we van de kinderen, om heel precies over iets te vertellen en te tekenen. Juist omdat het gaat om taalontwikkeling, zijn we gericht op scherpe observatie en een nauwkeurige verwoording daarvan. Dat blijkt het gemakkelijkst te gaan, als het gaat over iets wat kinderen echt beleefd hebben. Ze kunnen dan in gedachten teruggaan naar de belevenis, en zoeken naar de woorden die nodig zijn om erover te vertellen. Ze ontdekken welke woorden passen en welke niet, en ook welke woorden ze nodig hebben maar nog niet kennen. Het activeert ze om op zoek te gaan en te experimenteren met taal.
Bij het vertellen van fantasieverhalen kan dat effect evengoed optreden. Echter vooral bij kinderen met een groot voorstellingsvermogen, en bij kinderen die al behoorlijk taalvaardig zijn. Voor 'taalzwakke' of onzekere kinderen is fantaseren vaak moeilijk, of loopt het gauw dood in clichéverhalen en algemene woorden. De noodzaak om de juiste woorden te vinden is bij fantasieverhalen minder groot: als je er niet uitkomt, fantaseer je gewoon een andere kant op met de woorden die je kent. Doorvragen op een fantasieverhaal is moeilijker dan doorvragen op een ervaring.
Als leerkracht kan je gevoel krijgen voor de effecten van verschillende opdrachten bij verschillende kinderen. Het kan nuttig zijn om een kind dat steeds in het wilde weg fantaseert, waarmee moeilijk contact te krijgen is, en dat niet reageert op vragen, te stimuleren over echte ervaringen te vertellen. Dat kan hem het gevoel geven dat hij zich niet achter fantasie hoeft te verschuilen, en dat zijn ervaringen de moeite waard zijn om over te praten. Bij een kind dat een nooit gebeurd verhaal zo precies kan vertellen dat je het voor je ziet, maakt het weinig uit of het nu echt zo gebeurd is of niet.