Word list: A-Z
Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
Word list - H
ha (2)
hi
Ha, Jim. Hoe gaat het?
haar, het (3)
hair, the
Ze heeft kort, blond haar.
haasten (zich -) (4)
to hurry
Snel, je moet je haasten. Anders ben je te laat.
hagelslag, de (5)
chocolate sprinkles, the
Ik eet graag hagelslag op mijn brood.
half (4)
half
Hij komt om half elf.
handig (7)
convenient / handy
Een tablet is erg handig. Je kunt hem altijd meenemen.
handschoen, de (10)
glove, the
In de winter draag ik handschoenen.
hangen (7)
to hang
Er hangt een lamp boven de tafel.
hardlopen (4)
to run
Ik ga drie keer per week hardlopen. Dat is goed voor mijn conditie.
hebben (1)
to have
Ze heeft drie kinderen.
heel (1)
very
Mijn moeder is heel aardig.
heerlijk (8)
delicious, lovely, wonderful
Deze soep smaakt heerlijk. Ik wil nog wel een beetje.
helemaal (3)
totally
Mijn broer is helemaal niet sportief. Ik wel.
helpen (5)
to help
Kun je mij helpen? Mijn telefoon doet het niet.
herhalen (3)
to repeat
Kun je dat nog een keer zeggen? Kun je dat herhalen?
het (1)
the / it
Het kind heet Jasper.
Het is een mooie man.
heten (1)
to be named, to be called
Hoe heet jij? Ik heet Willem.
hier (7)
here
Woon je hier in dit huis?
hij (1)
he
Hij komt uit Engeland.
hobby, de (2)
hobby, the
Wat zijn jouw hobby’s? Ik lees graag.
hoe (1)
how
Hoe gaat het met je? Goed, en met jou?
hoek, de (10)
corner, the
Ik koop mijn boodschappen bij de supermarkt op de hoek.
hoeveel (1)
how much
Hoeveel is twee en twee? Vier.
hoezo (7)
why, how so
Heb jij een vriend? Hoezo? Waarom wil je dat weten?
hoi (1)
hi
Hoi, Piet. Alles goed?
hond, de (4)
dog, the
Ik ga even met de hond lopen.
honger hebben (6)
to be hungry
Ik heb honger, daarom ga ik eten.
honger, de (6)
hunger, the
De honger was groot. Alles is op.
hoofd, het (10)
head, the
Hij valt met zijn hoofd op de grond.
Hij is hoofd van de school.
hoofdgerecht, het (9)
main course, the
Ik heb geen honger. Ik neem alleen een hoofdgerecht.
hoofdstuk, het (1)
chapter, the
Dit boek heeft tien hoofdstukken.
hoog (10)
high
Het gebouw is hoog. Het heeft vijftien verdiepingen.
horen (6)
to hear
Ik hoor mooie muziek.
hotel, het (6)
hotel, the
We boeken een hotel in het centrum.
houden (6)
to hold
De vader houdt de baby in zijn armen.
houden van (2)
to love
Mijn vader houdt heel veel van mijn moeder.
huis, het (1)
house, the
In deze stad zijn veel oude huizen.
huishoudartikel, het (5)
household product, the
Met huishoudartikelen maak je het huis schoon.
huisnummer, het (2)
house number, the
Op welk huisnummer woon jij?
hulp, de (10)
help, the
Ik kan jouw hulp goed gebruiken.
huren (7)
to rent
Ik huur een kamer op de derde verdieping.
huur, de (1)
rent, the
De huur is vierhonderd euro per maand.