Word list: A-Z
Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
Word list - K
kaart, de (1)
map, the
Op de kaart van Europa zie je Nederland.
kaartlezer, de (6)
card reader, the
Doe de pas in de kaartlezer.
kaas, de (5)
cheese, the
Ik eet iedere dag een boterham met kaas.
kaasplankje, het (9)
assorted cheese, the
Het dessert is chocolade-ijs of een Frans kaasplankje.
kamer, de (6)
room, the
Ik heb een kamer vlak bij het station.
kapot (6)
broken
Hij neemt de bus, want zijn auto is kapot.
kapper, de (7)
hairdresser, the
Je haar is te lang. Je moet echt eens naar de kapper.
kapstok, de (7)
coat rack, the
Hang je jas maar aan de kapstok.
kassa, de (5)
cash register, the
Je kunt in de supermarkt aan de kassa betalen.
kast, de (10)
cupboard, the
Ze zet de kopjes in de kast.
kat, de (4)
cat, the
Onze kat en hond spelen met elkaar.
keer, de (2)
time, the
Kun je dat nog een keer zeggen?
kennen (10)
to know
We kennen elkaar van de Nederlandse les.
kerel, de (10)
lad, the
Mijn oom is een leuke kerel.
kerk, de (8)
church, the
We gaan op zondag naar de kerk.
keuken, de (2)
kitchen, the
Ik woon in een groot studentenhuis met drie keukens.
keurig (10)
trim and neat
Dat heb je keurig gedaan!
keuze, de (9)
choice, the
Je hebt twee keuzes: je kunt naar Amsterdam of Groningen.
kiezen (6)
to choose
Welk boek kies je: dit boek, of dat boek?
kijken (1)
to look
Ik kijk ’s avonds graag televisie.
kilo, de (5)
kilo, the
Mag ik twee kilo appels van u?
kind, het (3)
child, the
Onze buren hebben drie kinderen; twee jongens en een meisje.
kip, de (9)
chicken, the
Ik eet graag gebakken kip.
klant, de (9)
customer, the
Deze winkel heeft veel vaste klanten.
kledingstuk, het (10)
article of clothing, the
Je mag drie kledingstukken in de paskamer hebben.
klein (3)
small
Mijn vader is groot en mijn moeder is best klein.
kleren, de (10)
clothes, the
Hij draagt graag nette kleren.
kletsen (9)
to chat
De vriendinnen kletsen de hele avond met elkaar.
kleur, de (2)
colour, the
Welke kleuren vind jij mooi? Ik houd van blauw en grijs.
klimmen (8)
to climb
In de vakantie klim ik graag in de bergen.
klok, de (4)
clock, the
Ik zie op de klok dat het het negen uur is.
kloppen (1)
to knock
Hij klopt hard op de deur.
knap (4)
handsome
Ze heeft een knappe vriend.
knippen (6)
to cut
De kapper knipt mijn haar.
koekje, het (5)
cookie, the
We krijgen een koekje bij de koffie.
koffer, de (6)
suitcase, the
Voor je op vakantie gaat, moet je je koffers pakken.
koffie, de (2)
coffee, the
We drinken een kopje koffie.
koken (2)
to cook
Ze kookt de rijst.
kwam (komen) (6)
came (to come)
Hij kwam gisteren op bezoek.
komen (1)
to come
Ik kom uit Peru.
komkommer, de (5)
cucumber, the
Ik eet brood met kaas en komkommer.
koop, de (1)
buy, the
Die trui is een goede koop. Ik ben er blij mee.
kop, de (1)
head, the
Een hond heeft een kop, geen hoofd.
kop, de (4)
cup, the
We drinken een kop koffie.
kopen (5)
to buy
Hij koopt een nieuwe auto.
kort (3)
short
Mijn broer heeft kort, donker haar.
korting, de (6)
discount, the
Deze winkel geeft 10% korting.
kortingskaart, de (5)
discount card, the
Met de kortingskaart kun je goedkoop reizen.
kosten (2)
to cost
Hoeveel kost jouw boek? Het boek kost twintig euro.
kou, de (2)
cold, the
Ik houd niet van de kou in de winter.
krant, de (7)
newspaper, the
We lezen iedere morgen de krant.
krat, het (5)
crate, the
De flessen zitten in het krat.
kreeft, de (9)
lobster, the
Het dure restaurant heeft kreeft op de menukaart.
krijgen (1)
to get / to receive
Hij krijgt een iPad van zijn vriendin.
kroket, de (9)
croquette, the
Mag ik een broodje kroket van u?
kruidenboter, de (9)
herb butter, the
Hebt u alvast wat stokbrood met kruidenboter voor ons?
krul, de (4)
curl, the
Zij heeft krullen in haar haar.
krullend (3)
curly
Ze heeft blond, krullend haar.
kunnen (1)
to be able, can
Kun je jouw naam spellen?
kus, de (7)
kiss, the
Nederlanders geven elkaar drie kussen.
kussen, het (7)
pillow, the
Op mijn bed liggen drie kussens.
kwaliteit, de (10)
quality, the
De kwaliteit van het eten is hoog.
kwart (4)
quarter
Het is nu kwart voor drie.
kwijt (6)
lost
Ik ben mijn mobiele telefoon kwijt.