Start.nl - deel 1

Word list: A-Z

Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
  

Word list - M
 

maan, de (1)
moon, the
De maan schijnt ’s nachts.

maand, de (7)
month, the
Het jaar heeft twaalf maanden.

maandag (4)
Monday
Op maandag ga ik naar de dokter.

maar (1)
but
Ik kom uit Mexico, maar ik woon nu in Nederland.

maart (5)
March
Komen jullie 10 maart bij ons eten?

maat, de (10)
size, the
Welke maat heb jij? Ik heb maat 40.

mager (10)
thin
Je moet meer eten! Je bent een beetje mager.

maillot, de (10)
tights, the
Het meisje draagt een donkerblauwe maillot.

mais, de (5)
corn, the
Ik vind mais erg lekker.

maken (1)
to make, to do
Hij maakt een omelet met champignons.

makkelijk (6)
easy
Nederlands leren is niet zo makkelijk.

man, de (1)
man, the
Mijn vader is een aardige man.

markt, de (5)
market, the
We kopen fruit en groente op de markt.

medewerker, de (6)
employee, the
De medewerker van het hotel is vriendelijk.

medewerker reisbureau, de (6)
travel agent, the
We boeken de reis bij een medewerker van het reisbureau.

meegaan (2)
to join
Heb je zin om mee naar de film te gaan?

meenemen (5)
to take along
Kun je voor mij een liter melk meenemen?

meer (5)
more
Heb je genoeg of wil je meer?

meergranenbrood, het (5)
multi grain bread, the
Mag ik een halfje van dat meergranenbrood?

meestal (2)
most of the time
Hij werkt meestal in het weekend.

mei (5)
May
De examens zijn in de maand mei.

meid, de (10)
girl, the
Susan is een leuke meid.

meisje, het (1)
girl, the
Mijn zus is een aardig meisje.

melk, de (5)
milk, the
Bij het ontbijt drink ik een glas melk.

mensen, de (3)
people, the
De mensen in mijn groep zijn erg leuk.

menukaart, de (9)
menu, the
Ober, mag ik de menukaart even?

merk, het (10)
brand, the
Welk merk auto heb jij?

met (1)
with
Hoe gaat het met jou?

meubels, de (7)
furniture, the
In mijn kamer staan veel meubels van Ikea.

middag, de (4)
afternoon, the
Wil je in de ochtend of in de middag gaan?

mij (1)
me
Met mij gaat het prima.

mijn (1)
my
Mijn voornaam is Emma.

minder (7)
less
Ik betaal minder voor mijn kamer dan jij.

misschien (4)
maybe
Ik kom misschien, maar ik weet het niet zeker.

missen (6)
to miss
Ze mist haar familie heel erg.

model, het (10)
model, the
Welk model broek zoek je?

moe (1)
tired
Ik ben een beetje moe.

moeder, de (1)
mother, the
Mijn moeder is heel aardig.

moeilijk (10)
difficult
Nederlands leren is best moeilijk.

moeten (1)
to have to
Jij moet de afwas doen.

mogen (1)
to be allowed to, may
Mag je hier fietsen?
Mag ik jou iets vragen?


mooi (2)
beautiful
Het is vandaag een mooie dag.

morgen (2)
tomorrow
Vandaag is het vrijdag dus morgen is het zaterdag.

morgen, de (4)
morning, the
In de morgen drink ik geen bier.

mouw, de (10)
sleeve, the
Heeft je shirt korte of lange mouwen?

muesli, de (5)
muesli, the
Yoghurt met muesli is een prima ontbijt.

muis, de (2)
mouse, the
Vinden muizen kaas lekker?

museum, het (8)
museum, the
Het museum heeft een expositie van Van Gogh.

muts, de (10)
cap, the
Het is koud. Je moet je muts op doen.

muur, de (7)
wall, the
Aan de muur van de kamer hangt een foto.

muziek, de (2)
music, the
Hij luistert naar muziek.