Op gang komen met een taalronde
Beginnen met een gedicht
| Ik lees in groep 5 het gedicht 'Fruit' voor uit de bundel 'Een Caribisch dozijn'. Er worden veel vruchten in genoemd, ook exotische. Ik laat de illustratie zien. Dit roept veel reacties op. We praten vervolgens lang over granaatappels, hoe die eruitzien en hoe je ze eet. Je eet ze op verschillende manieren, blijkt. Het is moeilijk om een smaak onder woorden te brengen. 'Waar lijkt het op?' is een vraag die wel helpt. Ook: hoe het voelt in je mond. We hebben het nog over tamarinde en over pruimen. Er ontstaat een lang gesprek, voornamelijk tussen Ilias, Karim en Kiran over een boom vlakbij school waar pruimen aan hangen en hoe ze die een keer geplukt hadden. Het kost tijd om precies te vertellen hoe dat ging, en daarna is er meningsverschil over wat er met de geplukte pruimen gebeurd is. We komen er niet helemaal uit, in elk geval waren de pruimen niet te eten. Ik geef veel ruimte voor het precies vertellen van het verhaal, maar kap het af als ik vind dat de drie jongens nu lang genoeg aan het woord zijn geweest en het verhaal toch niet duidelijker wordt. Ik vraag ze om een lijstje te maken van vruchten die ze goed kennen of wel eens gegeten hebben, of die ze hebben zien groeien. Dit gebeurt zonder aarzeling. Ilias vraagt of een kastanje ook een vrucht is, ik vind van wel. Als ze allemaal al een rijtje hebben vraag ik: schrijf er ook nog een vrucht bij die je wel eens zelf geplukt hebt - omdat ik weet dat pluk-verhalen meestal weer anders zijn dan eet-verhalen, en zo wordt het gevarieerder. De meesten schrijven er meteen iets bij. Hierna kiezen ze een vrucht van hun lijstje om over te vertellen en zetten er een streep onder. In groep 6 lees ik het gedicht 'Onderweg' voor van J. Goudsblom: Je zit in de trein en wat zie je zoal: landschap, verbazend veel landschap en verder af en toe wat stadsschoon of een tunnelwand Alleen de rails kun je niet zien waar je op rijdt, tenzij je ver naar buiten leunt. Dat echter is drievoudig af te raden: het mag niet, het is levensgevaarlijk, en ook mis je dan veel van het landschap. In het gedicht staan meerdere ‘moeilijke’ woorden, dus na het voorlezen vraag ik wie een woord hoorde wat hij niet snapte. We bespreken de woorden landschap, tunnelwand, echter, drievoudig, afraden. Als je met een gedicht gaat werken zou het een idee kunnen zijn het gedicht groot uit te printen en een tijdje zichtbaar op te hangen, en een bordrij te maken van woorden uit het gedicht. Toen ik van tevoren het gedicht ‘Onderweg’ las leek het mij een goed idee om teksten te schrijven over ‘onderweg zijn’. Als je in een trein of auto of bus zit is er niet veel anders te doen dan een beetje naar buiten kijken of naar andere passagiers, het is een situatie waarin je makkelijk observeert en daar gedachten bij hebt. En dat leent zich goed voor een poëtische tekst, denk ik. Ik vertel na het gedicht dat ik met de trein uit Utrecht langs een kanaal reed en een boot zag varen. De trein haalde hem makkelijk in. Hierna geef ik veel beurten aan kinderen die nog weten van een keer dat ze in de trein of in de tram zaten, en wat ze toen buiten zagen: een boerderij met schapen, water, bootjes, een andere trein die de andere kant uit reed. Hier vraag ik een beetje op door: kon je die mensen zien zitten in die andere trein? Niet zo goed. Ik vraag wie ook wel eens met een metro of tram vlak langs een andere tram reed, want dat herken ik ineens, dat je dan die andere mensen vlak naast je ziet zitten met dat glas ertussen. Ik zie kinderen die het ook herkennen. Rowena vertelt dat ze gebouwen zag toen de metro ineens stilstond. Een café en een kantoor. Ik vraag waaraan ze kon zien dat het een kantoor was. Ze zegt dat er allemaal mensen achter computers zaten. Ik denk ineens aan de gevangenis waar je met de metro langsrijdt, wat zie je daar? Kinderen die vaak met de metro gaan weten dat je soms gordijnen achter de ramen ziet en ook van die dingen….spijlen! tralies! Maar nooit gevangenen. Ik vraag verder naar trams of treinen die stilstaan en wat je dan ziet. Een meisje vertelt dat de tram stilstond omdat de brug open ging. Ze zag ‘de zee’, zegt ze. Ik vraag of ze ook die openstaande brug zag. Ja. En hoe zag dat er uit? Ze kan dat niet een twee drie zeggen, maar geleidelijk, met hulp van mijn vragen, komt ze er wel uit. Als ik aan andere kinderen vraag of ze wel eens voor een openstaande brug hebben staan wachten, komen er meer beschrijvingen van wat je dan ziet, aan de onderkant of aan de bovenkant. ‘Van die ijzeren dingen’ , zegt Hulya. Een ander noemt het stangen, weer een ander zegt dat je schroeven ziet, en gaten waar je doorheen kunt kijken. Omdat ik hierna weer even van de openstaande bruggen af wil, stel ik een nieuwe vraag: wie weet nog van een keer dat je in de auto zat, buiten de stad, en wat je toen uit het raam zag? Enkele kinderen weten dat nog goed en vertellen. Ik stap over op het maken van het lijstje, van keren dat je onderweg was. |
Gedichten zijn prachtige opstapjes om met een taalronde te beginnen. Het zijn korte, beeldende teksten waar je meestal veel kanten mee uit kunt. Ze bieden niet alleen vaak meerdere onderwerpen, maar geven ook voorbeelden van hoe beeldend en persoonlijk je kunt schrijven. Beginnen met een gedicht betekent overigens niet, dat daarna ook gedichten geschreven moeten worden. Een gedicht roept associaties en gevoelens op, die evengoed tot prozateksten kunnen leiden.
Er bestaan inmiddels vele bundels met voor kinderen geschreven of geselecteerde gedichten. De bundel Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is biedt door de variatie aan gedichten talloze onderwerpen en aanknopingspunten voor taalrondes.
In veel gedichtenprojecten wordt de nadruk gelegd op de vormkenmerken van een gedicht, en krijgen kinderen opdrachten om met vormkenmerken in hun hoofd een tekst te schrijven. Rijm is zo’n vormkenmerk, en het wordt door de kinderen ook als eerste genoemd als je vraagt: wat is een gedicht? Tegelijk is het laten rijmen van een gedicht, zonder dat het daardoor verandert in een onzintekst, ook het moeilijkste wat er bestaat. Een van de belangrijkste principes van taalvorming is, dat alles bijna vanzelf moet gaan, dat het nooit als 'moeilijk’ mag voelen. Het past dus niet zo bij taalvorming om kinderen de opdracht te geven, rijmende gedichten te schrijven. Of er nu proza- of poëzieteksten geschreven gaan worden - de inhoud van die teksten wordt nooit losgekoppeld van de vorm. Als je begint bij de inhoud, en daarna gaat letten op de vorm die daarbij past, leidt dat vaak vanzelf tot poëtische teksten.