Op gang komen met een taalronde
Beginnen met losse woorden
| Onderleggers, zwarte fineliners en papier gaan rond in groep 7. Ik noem een woord en de kinderen schrijven het eerste woord op dat daarbij in hun hoofd opkomt. Alles is goed. Als je niets te binnen schiet zet je een streepje. opstaan gogo mist vijf China lekker schrift hek tering zonder schrijven bitter Ik voer het tempo steeds verder op. Hardop praten mag niet, bij elkaar kijken ook niet. Sommige kinderen klagen dat ik te snel ga. Ik wil niet dat ze te lang nadenken. Juist niet. Voor de perfectionisten en de onzekere kinderen is dit een goede oefening. Na ongeveer 15 woorden stop ik. We lezen van een aantal woorden alle associaties voor. Ik noem steeds iets op wat me er in opvalt. Bijvoorbeeld dat er veel met werkwoorden is geassocieerd of met plekken, met het tegenovergestelde woord of met een synoniem. De kinderen vinden het leuk, ze willen het nog een keer. Deze keer schrijven we op aan welke plek het woord dat ik noem ons doet denken. prikkeldraad vloerbedekking koud hoog alleen zweten planken wind Ik vraag wie er een voorstel heeft voor een woord, er komt: boom Sinterklaas De kinderen vragen of we nu alle woorden en associaties gaan oplezen. Dat doen we.
In een SBO groep deden we een woordassociaties. Iedereen heeft daarna een persoonlijke lijst woorden in zijn schrift staan. Ik vraag ze om één woord te onderstrepen. Een woord waar je een gedachte bij hebt of een herinnering. Ze doen het onmiddellijk. Uit dit soort dingen blijkt hoezeer ze al gewend zijn aan de werkwijze van taalrondes: gewoon vertrouwen dat je een opdracht goed doet, dat alles wat je kiest in principe goed is. Ik vraag ze om het gekozen woord bovenaan een nieuwe bladzijde te schrijven. Ik wil eerst even bezig zijn met de officiële betekenis van het woord en vraag ze of ze wel eens een woordenboek gebruiken. Ja, iedereen doet dat wel eens. Mijn opdracht is om net als bij een woordenboek zo precies mogelijk op te schrijven wat je woord betekent. Ik benadruk dat ze zoveel mogen schrijven als ze zelf willen. Als iedereen klaar is houden we een voorleesronde op alfabetische volgorde van de woorden, net als in een woordenboek. De teksten zijn kort en beeldend, vaak worden voorbeelden gebruikt om uit te leggen wat een woord betekent. Bijvoorbeeld 'vies' is: 'als je in de modder valt'. En twee kinderen hebben bij het woord 'geur' heel andere voorbeelden: parfum en een moeder die aan het koken is. Grappig is ook de definitie van het woord 'laat': 'laat is als je naar school moet'.
Hierna een volgende schrijfopdracht: schrijf het woord nog eens bovenaan een nieuwe bladzijde en schrijf nu over iets wat je hebt meegemaakt naar aanleiding van het woord. Dit is niet makkelijk, denk ik, want het is meteen schrijven zonder vertelronde of tweetalgesprek vooraf. Maar ze kunnen het al: iedereen gaat zonder aarzelen schrijven. Als ik de teksten voorlees blijken ze allemaal over eigen ervaringen te gaan. Adora's tekst valt me op: het gaat over hoe ze vast zat in de modder en ze herhaalt steeds hoe vies het was, zodat je echt een gevoel krijgt van 'gadverdamme' als je het leest. Andere teksten van Adora waren vaak een beetje vlak, en bij deze was ze duidelijk geïnspireerd. Zo zie je elke keer andere kinderen uit de verf komen - dat heeft soms ook met een onderwerp te maken.
In groep 6 vraag ik de kinderen om een briefje met een woord te pakken van het stapeltje. Ik zeg: 'Kies een woord waarbij een herinnering opkomt aan een gebeurtenis die je zelf meemaakte, en daarover schrijf je één zin in je schrift.' Ik geef een paar voorbeelden. Bij het woord 'figuurtjes' denk ik aan de zandbak in de speeltuin bij mijn huis. Daar liggen soms emmertjes en speelgoedjes naast, als het speeltuinhuisje open is. Ik maak als zin: Naast de zandbak liggen emmertjes. Nu zij. Bij het woord 'lat' vraag ik wie er meteen iets bij denkt. Akaash zie ik meteen opveren. Het blijkt dat hij laatst zijn liniaal in tweeen brak op zijn tafel, de anderen herinneren het zich nog en lachen erom. Ik vraag: 'Wat zou Akaash hier voor zin over kunnen maken?' Ze denken mee, het wordt: Ik brak mijn liniaal. Ze snappen het nu. Ik laat ze allemaal drie briefjes met een woord trekken uit de waaier die we eerder gemaakt hebben. Bij alle drie de woorden schrijven ze zinnen, en uit de drie zinnen kiezen ze de zin waarover ze nog wel meer willen vertellen. |
Losse woorden kunnen in een groep met veel taalvormings-ervaring genoeg materiaal bieden voor een taalronde. De woorden kunnen op allerlei manieren verzameld zijn: uit teksten, uit bordrijen, uit de oefenboeken van de methode, uit woordspelletjes als kettingassociaties, uit gedichten. Net als voorwerpen kunnen woorden associaties en herinneringen oproepen, en kunnen ze zo het startpunt zijn voor vertellen en schrijven.
Het zelf maken van woord-definities kan een terugkerende werkvorm zijn en leiden tot een zelfgemaakt klassenwoordenboek. Verschillen met het gedrukte woordenboek kunnen aanleiding zijn voor taalbeschouwelijke gesprekken. Bij jonge kinderen zijn vaak eigen ervaringen terug te vinden in de definities; bij oudere kinderen bestaat meer besef van de algemene, abstractere betekenis van woorden. Werken met definities betekent bij taalvorming, dat er meerdere mogelijkheden zijn en dat alle pogingen om woorden te definiëren serieus worden genomen. Het is juist essentieel dat over de verschillen tussen definities nagedacht wordt.
Het maken van zinnen waarin een gegeven woord voorkomt, is een vaak gebruikte oefening in taalmethodes. Bij taalvorming gebeurt dat niet los van een persoonlijke betekenis. Kinderen oefenen zich met taalvorming steeds in het maken van een persoonlijke keuze, uit voorwerpen, uit een lijstje, uit verschillende gedichten, uit woorden. Ze leren dat ze die keuze niet hoeven uit te leggen, en dat het gaat om hun eigen associaties en ervaringen.
Uit een rij woorden kunnen ze die woorden kiezen waar ze 'iets mee hebben', of waar ze bij moeten denken aan een gebeurtenis. Er vervolgens een zin bij maken is dan makkelijk. De zin uitbreiden tot een verteld verhaal of geschreven tekst is de volgende, vanzelfsprekende stap.