Op gang komen met een taalronde
Onvoorbereid beginnen met een taalronde
| In een kleutergroep kom ik nat van de regen binnen. Ik heb zelfs natte mouwen bij mijn t-shirt. Ik zie de meeste kinderen vrij droog binnenkomen, dus vraag ik me af of regen een goed onderwerp is. Ik hoor nog andere onderwerpen tijdens het binnenlopen van de kinderen. De grote en kleine stoelen, een onderwerp dat vorige week ook al speelde. Yael zegt in een gesprekje over een nieuw kind in de klas, dat de klas zo vol zou worden dat ze helemaal tot het plafond zouden moeten. Hij begint een mooi fantasie-verhaal daarover. Dat kan hij. Als ik er een onderwerp van zou maken zou ik het wat ombuigen. Niet iedereen kan zo fraai fantaseren als Yael. Ik zou het dichter bij de werkelijkheid houden en praten over plekken, waar je eens was en waar heel veel mensen waren. Bij zo'n onderwerp kan iedereen meedoen. Maar twee kinderen beginnen over de plassen buiten en de regen tegen het raam, besluit ik: ik doe toch regen! Tot nu toe vertelden we naar aanleiding van een ervaring van mij, of van een van de kinderen. Maar vandaag wil ik beginnen met voorwerpen. Dat werkt net weer even anders dan verhalen. Ik heb geen voorwerpen meegenomen van huis, want ik heb geen onderwerp voorbereid. Maar bij sommige onderwerpen zijn de voorwerpen gewoon in school. Zoals nu bij de regen. Ik vraag wie er iets bij zich heeft dat nat is geworden vanochtend. Een heleboel vingers. Ashwaa mag haar natte jas halen. Ze legt hem in het midden van de kring. Er komen nog een aantal natte-jassen-vingers, maar één natte jas is genoeg. Ik vraag wie er nog iets anders heeft. Er gaan weer vingers omhoog. Zo komt er nog een laars bij, een natte schoen, een capuchonjas, een paraplu. Zelf leg ik mijn regenbroek er nog bij. Er liggen nu een heleboel dingen in de kring. Dingen, die weer verhalen kunnen oproepen. Daarmee gaan we verder.
Voordat ik in groep 7 in de kring wil gaan zitten, loop ik naar mijn tas toe, om er een zakje met spullen uit te halen waar ik vandaag mee wil werken. Ik doe mijn tas open en merk dat ik het vergeten ben. Tja, stom.. Dan moet ik in de kring zonder een voorbereid onderwerp... Ik vertel maar gewoon aan de kinderen hoe ik gisteravond een tasje spullen pakte en bij mijn tas zette. Vanochtend zag ik het nog staan, maar ik dacht dat er iets anders in zat en dat de spullen al in mijn tas zaten. Na mijn verhaal, vraag ik wie er ook wel eens iets belangrijks vergeten is. Gelijk gaan er een heleboel vingers omhoog. Kinderen roepen: 'ja, gymspullen!' We gaan om de beurt vertellen. Sonny vertelt dat hij in de winkel stond en zijn boodschappenlijstje vergeten was. Samora vergat een kadootje en kwam erachter toen ze al in de trein zat. Iemand zegt: dat heb je van de film ‘Het Zakmes’. Samora zegt: 'nee, echt niet, het is echt zo gebeurd', en ze vertelt onverstoorbaar verder. Ik zeg niks, het lost zichzelf al op. Barry vertelt dat hij zijn knikkers in zijn zak vergeten was, zijn moeder had zijn broek in de was gedaan. Voor hem is dat kennelijk iets belangrijks, ik ga niet uitmaken wat ‘iets belangrijks’ voor kinderen is. Er wordt nog verteld over zwemspullen door Dennis, over gymspullen door Abdoelah, over stiften door Marinka. In groep 3 zitten we in de kring en vanaf dat moment ga ik 'op scherp’ staan. Alles wat kinderen vertellen voor de les kan een ingang voor een onderwerp zijn. Met een meisje was gistermiddag iets gebeurd onderweg: pesten en vechten. Dat vind ik niet geschikt voor deze keer. Als we in de kring gaan zitten vertelt Stefano over iets wat hij op de tv gezien heeft. Dat lijkt me ook geen goed onderwerp. Ik ben bang voor oninteressante uitreksels van tv-programma’s. Maar ik kan zijn tv-verhaal wel gebruiken. Ik vraag hem waar zijn tv staat en hij vertelt dat hij in de woonkamer staat. Ik besluit een snelle ronde te doen met die vraag: vertel van de tv (of van één van de tv’s) precies waar hij staat. Iedereen kan het vertellen en het kan ook kort. Dat is handig voor zo’n snelle ronde op het rijtje af. Die moet niet te lang duren. Af en toe stel ik een korte vraag: Waar staat hij precies in de kamer? Waar staat hij op of in? Dat leidt tot preciezere beschrijvingen: in de hoek, voor het raam, in de kast, op een plank, bij de deur. Na de ronde begint Stefano spontaan te vertellen over de afstandsbediening die kwijt was. Ik vraag hoe hij het merkte en waar hij ging zoeken. Ineens heb ik het onderwerp te pakken. Ik moet denken aan mijn eigen huishouden en de dingen, die daar steeds kwijtraken en krijg gelijk allerlei associaties. Dat is prima, want dan kun je de kinderen beter op ideeën brengen. Het onderwerp van de les wordt: dingen die kwijtraken in huis. |
Als je al wat ervaring hebt met taalrondes, ga je merken dat het onderwerp dat je had bedacht soms niet goed werkt, of dat de kinderen zelf met iets beters komen. Vaak brengen kinderen iets in waar je met de hele groep op door kunt gaan. Het lijkt simpel en voor de hand liggend. Maar het is iets waar je jezelf als begeleider in kunt trainen. Het is ook weer niet zo dat alles waarmee kinderen komen ook geschikt is voor een taalronde. En het is ook belangrijk dat je zelf 'iets hebt' met een onderwerp.
Hoe gaat het meestal in zijn werk, als je geen onderwerp hebt voorbereid? In de eerste fase van de taalronde, of eigenlijk al voordat die begonnen is, richt je al je ‘antennes’ op de kinderen. Alles wat ze je melden sla je op. Je sorteert intensief of er iets bij is waar je op in kan gaan. Daarbij let je op de volgende punten:
- Zijn veel kinderen in de groep geinteresseerd in een verhaal of een aspect van een verhaal?
- Kan ik van dit verhaal of aspect een onderwerp maken waarin alle kinderen iets herkennen?
- Kan ik het onderwerp omzetten in vragen die ik de kinderen kan stellen?
- Heb ik zelf zin in dit onderwerp, krijg ik er zelf gemakkelijk associaties bij, krijg ik concrete beelden in mijn hoofd bij wat de kinderen vertellen?
Dat sorteren kan best een tijdje duren. Het is zelf ook een intensieve taalwerkvorm: kinderen vertellen van alles en jij luistert actief. Dan komt het moment dat jij besluit welke kant het op zal gaan. Je richt je vragen alleen nog op het gekozen onderwerp. Daarna kan je overstappen op het maken van een geschreven of getekend lijstje, om elk kind de gelegenheid te geven ervaringen te inventariseren. Hieruit kan iets gekozen worden om over te vertellen en te schrijven.
Hoe langer we met taalrondes werken, hoe zekerder we zijn geworden dat er altijd iets is om over te praten in een groep en vervolgens over te schrijven. Eenvoudig omdat iedereen, ook elk basisschoolkind, de hele dag van alles waarneemt en beleeft. Soms horen we leerkrachten veronderstellen dat hun schoolkinderen zo weinig meemaken, en dat kringgesprekken over eigen ervaringen daardoor vaak zo saai zijn. Onze ervaring is tegengesteld. Als ‘iets meemaken’ niet betekent: naar een pretpark zijn geweest of je been hebben gebroken, maar als het ook kan betekenen: iets kleins waarnemen of een dagelijkse gebeurtenis nauwkeuriger bekijken, dan maken juist kinderen heel erg veel mee. Je kunt er als leerkracht goed in worden, zulke kleine ervaringen te herkennen in de verhalen van kinderen en in hun levens. En je kunt leren die herkenning om te zetten in vragen, die bij iedereen weer nieuwe ervaringen oproepen. Tijdens een onvoorbereide taalronde maakt een begeleider voortdurend keuzes, in wisselwerking met wat de kinderen inbrengen, en puttend uit het arsenaal van werkvormen die bij taalvorming ontwikkeld zijn.