Iedereen kan leren schrijven

Op gang komen met een taalronde

Beginnen met voorwerpen

Ik haal in groep 6 mijn fietstas tevoorschijn die ik vol met verschillende tassen gepropt heb. Ik vertel dat ik de tas mee naar de supermarkt neem en in het wagentje doe. Hoe ik hem daarna vol bood­schappen aan mijn fiets hang. Ik zie kinderen het herkennen. Ik vraag wie ook zo'n fietstas heeft of kent. Enkele kinderen vertellen over de fietstas van hun vader of moeder. Ik vraag naar andere soorten tassen die aan fietsen kunnen hangen. Een kind vertelt over een mandje voor op de fiets met een slotje eraan. Uit de fietstas haal ik nu een andere tas, een zwart hardplastic koffertje. Vingers schieten al omhoog. Er komen verhalen over gereedschapskoffertjes van vaders, wat daar allemaal in zit en mee gebeurt. Ook andere 'vader-koffertjes' met papieren erin. Dinesh vertelt over een koffer die zijn broer heeft waarin een soort muziekin­strument zit. Hij kan het maar moeilijk uitleggen; je moet het 'aansluiten' en je trekt er een poot uit en je kunt ermee drummen met stokken. Ik snap het een tijdje niet en blijf doorvra­gen. Geleidelijk wordt het duidelijker; Wesley snapt het ineens en gaat mee uitleggen. In zijn tekst noemt Dinesh het later een 'drum­computer'. Hierna haal ik een geel speelgoedkoffer­tje tevoorschijn. Gebrul. Boris vertelt dat hij zo'n koffertje heeft; ik brom op Guillermo naast mij omdat hij daarom lacht. Boris lijkt niet erg aangedaan; hij vertelt rustig dat er een soort treintje in zit met een baan, geen racebaan, ook geen rails maar wel iets waar de wagen­tjes overheen rijden. Ik vraag wie ook thuis een tas of koffer of doos heeft waar speelgoed in bewaard wordt. Dat leidt weer tot nieuwe verhalen over dozen met autootjes en lego. En zo ga ik verder met mijn verzameling tassen: ik haal er steeds weer een tevoor­schijn als ik denk dat het een goed moment is, kijk welke verhalen het oproept en probeer vanuit die verhalen weer nieuwe vragen aan de kinderen te stellen. Als een kind vertelt zijn mijn vragen erop gericht zoveel mogelijk ervaringen rond tassen naar boven te halen. Ik ben dus niet tevreden met 'ik heb ook zo'n tas' of 'die tas is voor boodschappen'. Het gaat mij om wat kinderen persoonlijk met een tas hebben gedaan of eraan hebben geobserveerd. Ik denk dat ze voldoende 'opgeladen' zijn met associaties rond tassen en ga door naar het lijstje. Tijdens het maken van het lijstje roep ik af en toe sugges­ties, ik herinner sommige kinderen ook aan wat ze daarnet al verteld hebben, dat kan ook op hun lijstje komen. Er komen bij vrijwel iedereen lange lijstjes.

 

In groep 4 heeft iedereen een voorwerp gepakt uit de willekeurige verzameling die in de kring ligt. Ik vraag ze om te vertellen over een plek waar ze hun voorwerp een keer gezien hebben. Vertellen over een plek leidt vaak tot vertellen over dingen die op die plek gebeuren. De kinderen doen dat vanzelf al, en ik help ze ook door vragen te stellen. De ronde ver­loopt heel levendig, ik vind dat er heel geïnteresseerd naar elkaar geluisterd wordt en ik geef ruimte om op sommige verhalen verder te associëren. Er wordt verteld over krabben vangen op het strand tijdens het schoolkamp, en hoe die na een tijdje in een potje te hebben gezeten heel erg gingen stinken. Over verschillende soorten tandenborstels die in de handel blijken te zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een dier. Over manieren om het gas aan te steken en wie dat al mag doen. Over hoe je een vuilniszak dicht krijgt en hoe je de container open krijgt. Over plekken waar papieren zakdoekjes liggen in huis en wat je ermee doet. Over een rozen­struik naast de voordeur en hoe die helemaal is afgeknipt omdat iedereen zich eraan prikte. Over hoe Bryan zijn haar kamt, ook al is het superkort, wie vlechtjes in je haar maakt en hoe dat voelt. Over hoe de fietsenstalling van de school er uit ziet en hoe je er in kan komen als hij op slot zit. Ik merk dat de verhalen voor de kinderen zo interessant zijn dat ze vanzelf elkaar vragen stellen en niet meer alles via mij gaat. De ronde duurt vrij lang maar de tijd vliegt voorbij.

Een taalronde kan beginnen met het voorlezen van een tekst, met het vertellen van een eigen ervaring, of met het tevoorschijn halen van voorwerpen. Al die dingen leiden bij de kinderen tot associaties, en die kan je goed gebruiken bij taalvorming.

Wat doen voorwerpen in een taalronde? Ongeveer alles wat je in een taalronde nodig hebt. Je kunt ze bekijken, betasten, benoemen, beschrijven - ook niet-nederlandstalige kinderen kunnen dat. Je kunt vertellen waar je ze wel eens eerder hebt gezien, waar ze voor dienen of waarvoor je denkt dat ze misschien dienen. Je kunt ze in categorieën indelen. Je kunt erover van mening verschillen. Je kunt vertellen over gebeurtenissen waaraan ze je doen denken, en zo’n verhaal brengt anderen weer op hun eigen verhalen. Voorwerpen roepen taal op. Aan één stuk door voel je tijdens een taalronde over voorwerpen bij de kinderen de behoefte om iets te vertellen.

Je kunt een taalronde beginnen met een enkel voorwerp: een koffer, een muziekinstrument, een steen, een zaklantaarn. Je kunt ook een categorie voorwerpen samenstellen: verschillende soorten lepels, verschillende soorten doeken en doekjes, voorwerpen met een knopje erop, allemaal ronde, blauwe of platte voorwerpen. En ook verzamelingen volstrekt willekeurige voorwerpen, die je in je huis of op school verzameld hebt, kunnen dienen als beginpunt voor een taalronde. Als je een tijdje geen onderwerpen kunt verzinnen, is werken met voorwerpen een manier om daar gemakkelijk weer op te komen. De kinderen wijzen je de weg met hun associaties.