Op gang komen met een taalronde
Beginnen met een taalronde
| Ik lees in groep 6 Tegelliedje van Willem Wilmink voor uit de bundel Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is. De kinderen luisteren aandachtig. Ik vraag wat het kind doet in dat versje. 'Om een boom heen hinkelen', 'tegels overslaan', 'twee maal om de lantarenpaal.' Ik vertel dat ik vroeger ook spelletjes onderweg deed, dat wij bijvoorbeeld probeerden om de hele weg iets van ijzer aan te raken. Ik vraag wie er ook wel eens dat soort spelletjes doet, dat je perse iets moet aanraken of juist niet. Er komt geen reactie. Ik geef een ander voorbeeld: wedstrijdjes onderweg. Wie doet er wel eens een wedstrijdje onderweg? Dat roept meer herkenning op; kinderen vertellen. Ik geef een ander voorbeeld van een spelletje: 'als het stoplicht in de verte op rood springt, moet ik bij die boom zijn'. Dat is weer een moeilijker voorbeeld. Het gesprek komt aarzelend op gang, maar steeds meer kinderen steken hun vinger op en vertellen.
De taalronde van Doortje in groep 4 gaat over dieren die je in de vakantie gezien hebt. Doortje specificeert: 'Een dier dat je in de vakantie hebt gezien of dat je bent tegengekomen. Of: gevoeld, geaaid, mee gespeeld.' Ze vertelt over de koeien die zij tegenkwam op een wandeling. Ze geeft daarna Mahmut naast haar als eerste de beurt. Hij zegt: 'Hond geaaid.' Doortje: 'Waar was je toen je hem aaide?' Mahmut: 'In Turkije.' Doortje: 'Was die van jullie?' Mahmut zegt niks. Doortje: 'Wat deed die hond ?' Mahmut: 'Niks.' Doortje: 'Niks.' Het is even stil. Ze vraagt: 'blafte hij?' Mahmut: 'Blaft maar bijt niet.' Doortje: 'Wat deed hij nog meer?' Mahmut: 'Hij ging spelen en wandelen.' Doortje: 'Waar?' Mahmut: 'Zo het huis rond.' Doortje: Mahmut gaat ineens rechtop zitten en zegt: 'Er was nog twee honden. Ging blaffen. Die andere gaan weglopen. Mijn hond achter. Die andere gingen ook blaffen.' Doortje vraagt wie er ook, net als Mahmut, een hond is tegengekomen in de vakantie.
Vertellen rond voorwerpen is meestal gemakkelijk. Kinderen beginnen zelf vaak al te praten over dingen die ze bij zich hebben of die ze zien. Ook vandaag in groep 4. Verora doet de rits van haar laars open en dicht en ik zie dat ze aan haar voet krabbelt. We zitten al in de kring. Ik vestig de aandacht van de rest erop en zeg dat het wel handig is dat die laars zo ver open kan, als je kriebel hebt. Soms is het een heel gedoe om je schoen open te krijgen. Hoe gaan schoenen open en dicht? We glijden vanzelf in de eerste ronde. Iedereen laat uitgebreid zien hoe het bij haar of zijn schoenen gaat. Ritsen, klittenband, allerlei soorten veters, touwtjes die je aan kunt trekken met zo’n dingetje, gespen. Het is een drukke ronde, natuurlijk, want iedereen zit te kijken bij zichzelf en anderen en de monden staan dan niet stil. Ik vind dat niet zo erg, omdat ik merk hoe betrokken ze erbij zijn: al het gepraat gaat over schoenen en veters en manieren van aan en uit trekken. Het valt me op hoe geïnteresseerd ze erin zijn en hoe nauwkeurig ze erover praten. Ik hoor ook allerlei associaties over manieren om andere kledingstukken vast of dicht te maken. Dat is goed, want dat is ook mijn onderwerp van vandaag. Aan het eind van de ronde wordt het een beetje chaotisch en dat is het goede moment om mijn koffertje met voorwerpen (allerlei sluitingen) tevoorschijn te halen |
Voor kinderen, zeker voor tweedetaal-leerders, is een concreet begin van een vertelkring belangrijk. Een begin waardoor ze meteen iets voor zich zien, zonder dat ze hard hoeven na te denken. Bij zo'n begin is de kans groot dat er associaties met eigen ervaringen opkomen, en dat veel kinderen dus meteen iets te vertellen hebben. Voor de meeste kinderen is het dus niet genoeg, als je alleen het onderwerp geeft (bijvoorbeeld: dieren die je in de vakantie gezien hebt) en zegt: 'vertel maar'.
Een taalronde begint niet zoals een gewone les. Je begin niet met het eisen van stilte en dan het onderwerp noemen, zoals je bij een aardrijkskunde- of rekenles misschien wel zou doen. Ook een inleiding of een overzicht van de les is meestal niet nodig. Het belangrijkste voor het slagen van een taalronde is dat er vanaf het begin een prettige sfeer is, waarin kinderen zin krijgen om over zichzelf te vertellen en ook naar anderen te luisteren. En waarin ze het gevoel krijgen dat de juf/meester naar ze luistert en in ze geïnteresseerd is. Ook is het belangrijk dat de kinderen meteen al vanaf het begin geactiveerd worden om erbij te blijven en na te denken. Dat gebeurt vooral, als er iets verteld wordt dat ze herkennen of dat tot hun verbeelding spreekt. En soms begint dat al voordat de taalronde feitelijk is begonnen, als de kinderen nog niet eens allemaal binnen zijn.
Als leerkracht zelf vertellen over een ervaring is een heel goed begin. De kinderen zijn altijd geïnteresseerd in wat de juf of meester meemaakt. Daarnaast kan je door je manier van vertellen alvast een voorbeeld stellen. Hoe vaker jij eigen, kleine belevenissen op een precieze manier vertelt, des te groter is de kans dat de kinderen dat ook gaan doen. Beginnen met een snelle vertelronde werkt ook activerend. Ieders stem wordt even gehoord, ieder kind heeft al aan het begin een bijdrage geleverd. Ook een stukje voorlezen of voorwerpen laten zien werken activerend, zelfs al weet nog niemand wat er daarna zal gebeuren.
Vaak duurt het even voor je het gevoel krijgt dat het proces echt begonnen is. Dan ben je een tijdje aan het zoeken, en maak je daarna pas na je definitieve keus voor een onderwerp of een werkvorm.