Op gang komen met een taalronde
Goede vragen voor snelle rondjes
Als we in groep 3 in de kring zitten vertel ik dat ik vanmorgen mijn schoenen heb ingevet om ze waterdicht te maken, omdat ik zag dat het weer ging regenen. Ik vraag wie ook iets gedaan heeft tegen de regen, vanmorgen of gisteren, toen het de hele middag en avond zo hard regende. We gaan de kring rond. Het eerste kind vertelt dat hij zijn jas boven zijn hoofd hield. De volgende deed zijn capuchon op. Daarna hield iemand zijn tas op zijn hoofd. Dan weer een capuchon. Ik vraag nu wat een capuchon is. Verschillende kinderen geven kenmerken: het is een muts, die aan je jas vast zit. Bij het volgende kind dat haar capuchon op deed vraag ik hoe ze het vast maakte. Met touwtjes. Een volgend kind vertelt dat hij ging rennen toen het regende. De juf stak haar paraplu op, die meteen omklapte door de wind. Zo ontstaat er in een vrij snelle ronde een beeld van wat iedereen als gevolg van de regen gedaan heeft. Ik merk dat veel kinderen daardoor op ervaringen met de regen komen: ze herinneren zich waar ze liepen en wat daar gebeurde. Ik vraag ze om het nog even te bewaren voor straks; nu wil ik niet te lang over de ronde doen, om zo al aan het begin alle stemmen even gehoord te hebben.
De namenronde gebruik ik in groep 7 om de namen te horen maar ook hun stemmen, en ook om ze alvast op een spoor te zetten waar ik ze hebben wil: hun geest open te maken voor kleine observaties van details. Ik vraag ze om iets te noemen dat ze vanmorgen hebben zien bewegen. Het activeert enorm; iedereen gaat in gedachten terug naar situaties van vanmorgen. Ik merk ook dat ze nadenken over het begrip 'bewegen'. Ik noem zelf de wolken die ik door de lucht zag bewegen. Hoe verder we komen in de ronde, hoe meer bewegingen er bij ons opkomen: lopende mensen, een vallende videoband, bladeren en vogels die door de lucht gaan, een poes die gaat lopen, je eigen hand, de wijzers van de klok, de slingers die in de gang zachtjes bewegen op een luchtstroom.
Bij mijn onderwerp ‘water’ had ik voor de namenronde in groep 4 bedacht: iets wat je met water hebt gedaan. Bij nader inzien vind ik dat te moeilijk voor een beginronde. Ik ben ook bang dat ze allemaal dezelfde dingen gaan zeggen: douchen, tandenpoetsen, schieten met een waterpistool. Het is eigenlijk meer een onderwerp voor een diepergaande vertelronde, waarbij je zelf verschillende aspecten kunt inbrengen. Dus ik verander het in: een plek die je kent, waar water is. Het mag binnen zijn of buiten. Als voorbeeld geef ik de klas, waar een kraan is. Maar zo zijn er veel andere plaatsen te bedenken. Er wordt van alles genoemd: verschillende zwembaden, de kraan in de keuken, de vijver in het Oosterpark, de zee, de badkamer, de vissenkom, de gracht voor de deur, het dolfinarium, onder de grond in een putje, in je ogen als je huilt, een plas op straat, een vaas met bloemen. Ik merk dat het voor sommige kinderen uitdagend is om iets bijzonders te bedenken, terwijl anderen blij zijn dat het ook iets heel gewoons kan zijn. |
Als iedereen in de kring zit, werkt het vaak goed om te beginnen met een snelle ronde. Het vestigt een groepsgevoel: ieders stem wordt even gehoord, je hoort erbij, of je nu verlegen bent of niet. Het kan de drempel om later meer te vertellen wat verlagen.
Je kunt in zo'n ronde elk kind zijn of haar naam te laten zeggen - een namenronde. Maar in je groep weet iedereen die namen al, en is het interessanter als elk kind er iets persoonlijks bij vertelt. Dat moet heel gemakkelijk en snel gaan. Je moet niet lang hoeven nadenken. Je moet ook niet bang hoeven zijn dat je afgaat of dat jouw ervaring niet meetelt. 'Welke kleur heeft je tandenborstel?' is een vraag die iedereen snel kan beantwoorden. 'Iets wat je zag toen je vanochtend je deur uit kwam', zorgt voor terugdenken aan dat moment, maar iedereen kan dat. Net als 'iets wat je vanochtend in je hand gehad hebt', of 'waar heb je gisteravond je kleren neergelegd?' 'Wat heb je vanochtend gegeten?' ligt iets moeilijker, omdat normen over ontbijtgewoontes ook bij kinderen kunnen spelen.
Een snel rondje werkt ook goed op momenten dat de aandacht verslapt. Zodra je in een verhaal van een kind een aspect hoort waar alle kinderen ervaring mee hebben kun je een snel rondje inzetten, zodat alle kinderen weer geactiveerd raken. Op dezelfde manier kun je ook een nieuw aspect van het onderwerp inbrengen.
Je kunt jezelf oefenen in het bedenken van beginvragen voor een snel rondje. Test je vragen eerst bij jezelf: kan je er zonder veel nadenken, in een enkele zin of woord, op antwoorden? Verwacht je dat alle kinderen dat kunnen? Probeer elke taalronde iets nieuws uit. Daarbij is het belangrijk om het snelle rondje niet te laten veranderen in een langere vertelronde met uitgebreide vertelbeurten. Doorvragen gebeurt in een snelle ronde in principe niet; dat doorbreekt de doelstelling dat elk kind snel even aan het woord komt. Je kunt wel onthouden of noteren op welke bijdragen je later terug wilt komen.
Het kan handig zijn om een snelle beginronde te laten aansluiten bij het onderwerp van je taalronde (in het geval dat je dat van tevoren hebt vastgesteld). Je zit in een klap in je onderwerp en vaak geeft het een richting aan het vervolg. Voorbeelden:
- Taalronde over dieren: welk dier heb je kort geleden aangeraakt?
- Taalronde over trappen: hoeveel trappen moet je op om je huis binnen te komen?
- Taalronde over fietsen: waaraan kan je jouw fiets herkennen?
- Taalronde over in bed liggen: welke kleur heeft je deken?
- Taalronde over het verkeer: hoeveel keer ben je vanochtend overgestoken?
- Taalronde over fruit: welke vrucht heb je het laatst gegeten?
Maar je kunt een snelle ronde ook alleen gebruiken om een sfeer te vestigen of het ijs te breken, en iets vragen waar je verder niet op door gaat. Tenslotte kunnen snelle rondjes ook ad hoc ingezet worden tijdens een taalronde, als het zin heeft dat iedereen even kort iets persoonlijks opnoemt.