Iedereen kan leren schrijven

Op gang komen met een taalronde

Ordenen en classificeren

Ik heb in deze groep 4 nog nooit met voorwerpen gewerkt en ben benieuwd. Ze zijn nieuwsgierig en afwachtend als ik langskom met mijn zakje, dat vol zit met uiteenlopende kleine dingetjes. Ik deel ze willekeurig uit. We beginnen met zoeken naar bij elkaar passen­de voorwerpen. Waar past een Labello-stift bij? Hardop denkend laat ik ze zien dat er allerlei manieren zijn waarop dingen bij elkaar kunnen passen. De Labello-stift kan bij de kam horen, omdat je met allebei iets aan je hoofd kunt doen. Maar ook bij de babysokjes, omdat die ook roze zijn. 'O, moet het op kleur', roept een kind. 'Nee hoor', zeg ik, 'het mag ook op vorm of op weer wat anders.' Zo zoeken we samen door en ontstaan vrij onverwachte combinaties van kinderen en voorwerpen. Lucy zit met haar vierkante pakje zakdoekjes bij Bibi, met haar vierkante doosje lucifers. Mijn puntige taartvorkje kan bij Alexan­ders puntige krabbenschaar. Naf ziet wel dat haar zwarte zonnebril past bij Bryans zwarte kam, maar ze wil niet naast hem zitten en probeert iemand anders naar voren te schuiven. Dat vind ik niet eerlijk. Tenslotte gaat ze toch naast Bryan in de kring zitten.

 

Ik vraag de kinderen in groep 5 om hun lepel bij een andere lepel te leggen die erbij past, zo ontstaan op de tafel midden in de kring kleine groepjes lepels. Ze mogen er niet bij praten. Het leuke is dat iedereen weer andere criteria hanteert en dat alles mag. Het is verrassend wat iemand gaat doen. Na een tijdje zeg ik dat ze ook lepels van plaats mogen veranderen die volgens hun niet goed liggen. Zo komen bijvoorbeeld ineens alle plastic lepels bij elkaar, of alle kleine lepeltjes, of lepels die diep zijn. Ze vinden het een leuk spelletje. Ik stop het omdat er nog meer te doen is.

 

Ik lees in groep 7 een stukje voor over voorwerpen die op de grond vallen. Het gaat ook over de vraag waarom dingen eigenlijk naar beneden vallen. Het zijn heel alledaagse voorwerpen. Meteen daarna vraag ik ze, met een krijtje in mijn hand, om dingen op te noemen die in de klas wel eens vallen. Enorm veel vingers. Ik zet een pijl omlaag bovenaan het bord, en maak daaronder een lange lijst van alles wat ze opnoemen. Na alle krijtjes en gummen die vallen vraag ik naar dingen die je buiten ziet vallen, en binnen in je eigen huis. De lijst wordt steeds langer, van het een komen we op het ander. Ik stel nu en dan een vraag om ze op een ander spoor te zetten: dingen die kapot vallen? dingen die uit een raam of van een balkon vallen? dingen die van heel hoog of heel laag vallen? Steeds benadruk ik dat ze het met eigen ogen gezien moeten hebben. Als de helft van het bord vol is, vraag ik naar dingen die juist van beneden naar boven gaan. Er komt een nieuwe lijst: vuurwerk, vliegtuigen, fontein, bal, stuiterballetjes, kogels uit een buks, plastic tasjes in de wind, vogels die opvliegen, de brug van de Kinkerstraat. Het is heel druk maar ook heel enthousiast. Als ik zie dat alle kinderen hun vinger omhoog hebben, las ik een rondje in. Het doel van samen een lijst maken is: het verzamelen van associaties, die je helpen om later te vertellen en te schrijven over een ervaring.

 

Ik geef een paar voorbeelden van plekjes waar ik was in de vakantie. Ik vraag de kinderen in groep 5 plekjes op te noemen waar zij waren. Dat komt aarzelend op gang. Ze noemen plekjes van verschillende orden van grootte. Ik schrijf ze in drie kolommen op het bord: eerst de hele kleine plekjes, daarna de iets grotere en tot slot de grootste plekjes:

stoepje
tent
op het gras
kruis op berg
bushalte

zwembad
asiel
strand
midgetgolf

dorpje
bergen

Er is discussie over waar strand hoort, in de tweede of de derde kolom?

Het ordenen, rubriceren en classificeren van woorden, voorwerpen en ervaringen gebeurt in taalrondes op allerlei momenten. Daarvoor zijn verschillende redenen. Ten eerste blijkt het zinvol om structuur aan te brengen in de chaotische stortvloed van ervaringen en gedachten, die opkomen tijdens een vertelkring. Ten tweede is het handig om voor jezelf je ervaringen te inventariseren, zodat je vervolgens kunt kiezen waar je dieper op in wilt gaan. Ten derde zorgen ordenings-opdrachten voor een nauwkeuriger observatie van de dingen die geordend moeten worden, of het nu voorwerpen zijn of woorden. Ten vierde zijn ordeningen en classificaties vormen van wetenschappelijk denken, een belangrijke denkvorm binnen alle soorten onderwijs. En ten vijfde is het denken over hoe woorden bij elkaar horen een belangrijke strategie voor woordenschatontwikkeling.

En waar het gaat om het ordenen en classificeren van voorwerpen is er nog een zesde reden: asielzoekerskinderen en andere NT2-kinderen kunnen vanaf het allereerste begin actief meedoen in de kring.

Tijdens het maken van ordeningen, rubrieken en lijsten wordt door een begeleider zoveel mogelijk hardop gedacht en worden ook de kinderen uitgenodigd om hardop mee te denken. Omdat het bij taalvorming bijna nooit om 'keiharde' wetenschappelijke categorieën gaat, is er altijd wel discussie mogelijk over wat bij wat hoort. Het denken over ordeningen is bij taalvorming belangrijker dan de ordeningen zelf.

De bekendste vorm van ordening bij taalvorming is het lijstje. Al vanaf de kleuterleeftijd kunnen kinderen leren dingen op een rijtje te zetten in de vorm van een tekenlijstje. Een blaadje met verschillende kleine vakjes helpt daarbij. In de hogere groepen komen daar geschreven lijstjes bij, en kan gewerkt worden met categorieën, zoals: een lijstje van werkwoorden en zelfstandig naamwoorden die bij voetballen horen, een lijstje van plekken waar je schoenen geweest zijn, lijstjes van verschillende soorten dieren die je gezien hebt.