Op gang komen met een taalronde
Waarnemingen verwoorden
| Ik neem in groep 3 een kind in gedachten en noem drie dingen op die te zien zijn aan de kleren van dat kind. Pas als ik drie dingen heb opgenoemd mogen ze hun vinger opsteken. 'Het kind heeft een blauwe broek aan, ik zie ergens gele letters en het heeft een rits.' Na een paar keer mogen een paar kinderen het doen. Ze doen het meteen goed. De kinderen zijn heel actief, ze kijken heel goed rond en willen heel graag aan de beurt komen met raden.
Tijdens het maken van de volgorde in de kring, zakt bij veel kinderen in deze kleutergroep de aandacht alweer weg, maar als ik met viltstift een cirkel teken is iedereen er weer bij. Ik vraag wat ik getekend heb. Door die vraag voelen de kinderen zich ook weer uitgenodigd om te reageren. Ze zeggen: een cirkel, een rond, een bal, een basketbal, een kleine bal, een spiegel, een deksel etc. Ze associëren op de ronde vorm met voorbeelden uit hun ervaringswereld. Als ik een voor een ronde voorwerpen uit mijn tas pak en op het papier leg, reageren ze op dezelfde manier: 'Die heb ik ook, ik heb ook zo een', etc. Ik vraag af en toe er even op door: hoe ziet die van jou eruit, waar heb je hem thuis, wat doe je ermee? We benoemen ook elk voorwerp. Het duurt maar kort dat alle kinderen actief betrokken zijn. Vrij snel zijn er alweer kinderen met iets anders bezig. Ik vraag wie er iets ronds aan zijn eigen lijf heeft. Ik geef als voorbeeld de kleine ringetjes waar mijn veters doorheen gaan. Ogenblikkelijk is er weer aandacht en zoekt iedereen zijn lijf af. Kinderen staan op om aan mij hun ronde vormen te laten zien. Manel heeft ronde Mickey Mouse-oren op haar hemd, Wouter een ronde pleister op zijn hand. Truien en hemden gaan omhoog om ronde navels te laten zien. Het is nogal chaotisch, maar de kinderen zijn allemaal gericht op hetzelfde onderwerp, ze kijken niet alleen naar zichzelf, maar ook bij elkaar, ze vergelijken. Ze communiceren over voor hen betekenisvolle zaken en gebruiken daarbij veel taal. Van het eigen lichaam stap ik over op ronde vormen in de klas. Wie ziet er iets dat rond is? Darnell springt meteen op en wijst een rond hoofd op een tekening aan. Veel kinderen steken hun vinger op. Ik laat eerst twee kinderen tegelijk een rond voorwerp zoeken, maar dat hou ik niet lang vol. Ik geef steeds meer kinderen toestemming om een rond voorwerp te zoeken. Op een gegeven moment zitten er nog maar een paar kinderen in de kring, de rest is op speurtocht. De kinderen leggen de voorwerpen die ze gevonden hebben op het vel papier bij de andere voorwerpen.
Groep 3 is naar Artis geweest. De opdracht luidt: teken een dier dat je Artis en schrijf de naam van dat dier eronder. Laat niemand zien welk dier jij tekent, want straks doen we er een raadspelletje mee. De kinderen gaan meteen aan de slag en even is het stil in de klas. Dan roept Romaissa: ‘Juf, is giraf met een kleine of een grote v?’ O jee, nou weet iedereen welk dier zij heeft. Snel geef ik haar een ander blaadje om een ander dier te tekenen. Ayoub laat trots zijn olifant aan mij zien, maar de kinderen in zijn groepje kijken mee. Lachend begint hij aan een nieuw dier. Het is spannend om iets in het geheim te tekenen. Als de tekeningetjes klaar zijn en de woorden eronder geschreven, komt een kind op de blauwe stoel voor de klas zitten. Het blaadje stijf tegen de borst gedrukt. De andere kinderen stellen vragen zoals in het spelletje Wie is het? Heeft hij 4 poten? Is hij grijs? Kan hij zwemmen? Heeft hij voelsprieten? De vragen worden steeds specifieker. Sommige nodigen uit tot korte gesprekjes. Bijvoorbeeld: Heeft hij stipjes? Hardop vraag ik me af of ik een dier ken met stipjes. ‘Ja een zebra,’ roept een kind. ‘Nee, dat zijn streepjes,’ roept een ander. We hebben het over stipjes, streepjes en vlekjes op dierenhuiden. |
Samen met kinderen goed kijken, benoemen en sorteren is een bekende werkwijze in het basisonderwijs, zeker met kleuters. In taalrondes gebeurt dat ook, met dien verstande dat je steeds een verbinding legt met eigen ervaringen. Anders gezegd: je volgt een affectieve lijn, terwijl je af en toe ook op een cognitieve lijn zit. In de taalronde hierboven is het herkennen en benoemen van ronde vormen de cognitieve lijn. De affectieve lijn bestaat uit het vragen naar wat de kinderen vanuit hun eigen ervaring herkennen.
In taalrondes werk je aan het verbinden van waarneming en taal. Daarom wordt veel gewerkt met observatie-werkvormen, zoals beginnen met het bekijken en benoemen van de kleuren van kleren. Ook al hebben we het daarna niet meer over kleren. Vanaf de eerste minuut van een taalronde duiken we met de kinderen onder in een proces van waarnemen, benoemen, beschouwen, associëren. De werkvormen en vragen moeten prikkelen om woorden te vinden voor wat we zien, horen, ruiken, voelen, proeven en meemaken. Hoewel kinderen buitengewoon scherpe waarnemers zijn, zijn ze vaak niet gewend hun waarnemingen te verwoorden. En dat leren ze in taalrondes.
Een taalronde werkt anders dan een lesje, over bijvoorbeeld de vormen vierkant, rechthoek, rond, waarbij de kinderen aan het eind van de les die begrippen moeten kennen. Het gaat in een taalronde om de gerichte waarneming van dagelijkse dingen. Kennis van de woorden om vormen mee aan te duiden is daarbij een onmisbaar hulpmiddel. Die kennis wordt gevestigd, terwijl kinderen ernaar zoeken en ermee experimenteren. Zo kan het gebeuren dat we ons in een taalronde langdurig buigen over de vorm van een televisie en de vorm van de uitlaat van een auto, zonder dat we dat van tevoren van plan waren.