Op gang komen met een taalronde
Beginnen met meerdere gedichten
Ik wil graag dat de kinderen van groep 7 vandaag zelf bepalen welke gedichten voorgelezen worden, waar we het vandaag over gaan hebben, en waarover we schrijven. Ik heb een grote stapel bundels en bloemlezingen bij me. Met gele plakkertjes heb ik een aantal gedichten gemarkeerd. Die voorselectie heb ik gemaakt omdat de kinderen kunnen verdwalen in het grote aanbod. Ik selecteer vier of vijf gedichten per bundel. Ik heb met een half oog gekeken naar de inhoud van de gedichten en het taalgebruik van de dichter. Ik zoek de kortere exemplaren uit, omdat het voorlezen van meerdere lange gedichten te zwaar kan zijn voor voorlezers en luisteraars. Ik verwacht overigens wel dat de kinderen, als ze op zoek gaan, ook gedichten kiezen waar hun oog op valt, die bijvoorbeeld op dezelfde pagina als een gemarkeerd gedicht staan. Dat kunnen dan weer langere zijn, maar dan hebben ze er zelf voor gekozen en lezen ze zo’n eindeloos vers moedig voor.
De kinderen zitten in zes tafelgroepjes van ongeveer vijf kinderen. Een van de kinderen in ieder groepje is ‘spreker’, die is herkenbaar aan een bordje voor zich. Alle bundels liggen op de tafel van de juf uitgespreid. Ik vraag alle sprekers twee bundels uit te kiezen. In principe kijken ze naar de afbeelding op de omslag, lezen de titel. Ik zie een van de kinderen een dikke bloemlezing opzij gooien om snel het dunste bundeltje te pakken. Terug in hun groepje vraag ik de sprekers om in het groepje, samen met de anderen, uit de twee boeken er één te kiezen. De kinderen kijken nu wel even in de bundels wat voor soort gedichten er in staan. Hoe de onderhandelingen precies gaan laat ik aan hen over. Sommige sprekers kiezen bazig zelf, anderen laten zich door de rest van het groepje beïnvloeden. Snel haal ik de niet gekozen boeken op. Ik vraag het groepje de gedichten met een geel plakkertje te bekijken en er één uit te kiezen. Je mag ook een gedicht kiezen waar geen plakkertje bij zit. De spreker zal het gedicht voor de klas voorlezen. Nu lezen de kinderen de gedichten wat nauwkeuriger, praten erover, onderhandelen over de keuze. Een gezellig geroezemoes gaat door de klas, een enkel kind kijkt boos, zijn gedicht heeft het niet gehaald.
Voor de klas staat de voorleesstoel en de kinderen lezen om de beurt de gedichten voor. Af en toe probeer ik de wiebelende benen bij het voorlezen te remmen. Boeken die voor het gezicht gehouden worden trek ik voorzichtig een beetje naar beneden. Met verlegen zachte stemmetjes bereiken de gedichten de achterste kinderen niet. Ik vraag om drie keer zo hard te lezen. Gedichten zijn niet alleen rijmende teksten, het zijn ook teksten die je op een bijzondere manier kunt voorlezen. Dat raffel je niet af. Na elk gedicht kunnen vragen gesteld worden aan de voorlezer. Vragen als 'waarom hebben jullie voor dit gekozen' rem ik af. Hoe de keuze is gemaakt valt niet gemakkelijk te verantwoorden en als er als antwoord komt: 'die vonden we leuk', schieten we daar niet veel mee op. Voorzichtig dirigeer ik de vragen naar de inhoud, noem een woord uit het gedicht met een vragende blik, stel zelf een vraag tussendoor. Bij sommige vragen kijkt de spreker hulpeloos naar mij, bij andere vragen is domweg geen antwoord te geven. Hoe kun je nou weten wie de bloem uit het gedicht ‘Margriet’ geplukt heeft?
MARGRIET Die stond tussen gras in de weide, die was een frisse margriet, maar bleef dat niet, Ze kwam voor een raam van een huiskamer staan. Alleen, met een smal vaasje aan. Han G. Hoekstra
‘Alleen, met een smal vaasje aan’ staat er. We praten erover dat je in een gedicht een bloem best een vaasje aan kunt trekken inplaats van die in een vaasje te zetten. De kinderen stellen zich de situatie met die bloem voor en bedenken ook hoe de weide met alleen stelen eruit ziet, als alle bloemen geplukt zijn. In dit gedicht zitten lekker veel rijmwoorden vinden de kinderen. Dat blijft toch maar steeds een belangrijke voorwaarde die de kinderen aan een gedicht stellen. Ik vraag de kinderen tenslotte om een belangrijk woord uit dit gedicht, en schrijf dit 'sleutelwoord' op het bord.
Dan komt het gedicht ‘Levenslang verliefd’
Ik heb nu vaste verkering. Het is nu echt goed aan. Maar soms dan zie ik wazig een andere leukerd staan. Bas Rompa (fragment)
Het sleutelwoord is ‘verkering’. De vragen gaan over ‘vrijen’, ‘zoenen’, ‘de kriebels krijgen’. Ik vraag door, wat is dat ‘vrijen’? 'Nou ja zeg, als een man en een vrouw, weet je wel, als ze in bed gaan.' Er wordt wat gegniffeld, maar het onderwerp is wel bespreekbaar. Ik vraag naar soorten kusjes die er zijn: die op je wang, vlinderkusjes, op het ongeschoren gezicht van je vader, met het puntje van je tong kriebelen, een blaaskusje. Surinaamse jongetjes stellen zich stoer en deskundig op, meisjes luisteren en glimlachen. Ik vraag wie er verkering heeft. Nee, niet zeggen wie met wie! Vingers gaan omhoog. Verkering op de camping, op school, met iemand uit de buurt. De verhalen komen zonder schroom. Ook vertellen de kinderen wat je doet als je verkering hebt: 'Je kijkt steeds naar iemand', 'e zegt aardige dingen', 'je brengt cadeautjes mee'. Over zoenen gaat het verder niet. We vertellen elkaar wat we gezien hebben bij de koeien in de wei als het gedicht 'Koeieleven' van Bas Rompa voorgelezen is. Hoe de koeien in de regen staan en wat ze doen als ze met hun natte snuit heel dicht bij je komen. Of je eigenlijk bang voor koeien moet zijn als je door de wei loopt of niet. Het gaat ook even erover of de koeien wit zijn en de zwarte vlekken er op zitten of andersom. De kinderen kennen de dieren van de kinderboerderij, grote koeien zijn daar jammer genoeg niet bij. De namen van soorten vissen komen aan bod bij het gedicht 'Aquarium' van Louis Verbeeck. Dat een van de vissen in het gedicht ‘oom Jan’ genoemd wordt, omdat die ook altijd zo gaapt, is grappig. Dat oom Jan geen mannetjesvis is en kleintjes krijgt valt de kinderen niet als bijzonder op. In gedichten worden de dingen toch altijd anders beschreven dan ze zijn.
Alle sleutelwoorden die bij de gedichten horen staan nu op het bord. Ik vraag ze om een sleutelwoord te kiezen en een lijstje te maken van eigen ervaringen die te maken hebben met dat sleutelwoord. We kiezen een onderwerp uit ons lijstje en vertellen erover in tweetallen. Er zijn nu dus meerdere onderwerpen inplaats van één, door mij gekozen onderwerp. Dan gaan we schrijven. Ik vraag ze om in korte, kernachtige zinnen te schrijven, zodat het bijna weer gedichten worden. |
Gedichten voorlezen is een goede manier om met een taalronde te beginnen. In het algemeen zoek je zelf één of meer gedichten van tevoren uit. Daarvoor leent zich goed de verzamelbundel ‘Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is’ of de verzamelbundel De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten van Gerrit Komrij.
Daar staan zoveel bruikbare gedichten in, voor zoveel bruikbare onderwerpen, dat er altijd wel eentje bij zit als opstap voor de groep kinderen waar je mee gaat werken.
Je kunt het gedicht ook pas op school uitkiezen, vlak voor de eerste vertelronde begint. De kinderen zitten dan al in de kring, je hebt de sfeer geproefd en de informele gesprekjes voor de les gehoord. Dat kan dan je keuze beïnvloeden.
Het lesfragment hierboven laat zien wat er kan gebeuren als de kinderen zelf meerdere gedichten uitzoeken. Er wordt veel tijd besteed aan het kiezen, en daarbij worden door de kinderen verschillende gedichten gelezen en voorgelezen. Tijdens het praten over de voorgelezen gedichten komen allerlei woorden, vragen en associaties op. De gesprekken daarover zijn op zichzelf al een opbrengst van de werkvorm. Het vaststellen en opschrijven van 'sleutelwoorden' uit gedichten geeft vervolgens de mogelijkheid, over te gaan op het zelf schrijven van teksten. Dat er voorafgaand gedichten zijn gelezen, kan het latere schrijven gunstig beïnvloeden.